’t Jodinnetje van Elspeet (1895)

Jeugdverhalen over joden (2)

Door Ewoud Sanders

Omslag van de eerste druk, uit 1895. Roosje, die prachtig kan zingen, wordt een paar maal vergeleken met een vogel: een nachtegaal en ‘de leeuwerik van de Elspeeter hei’. De eerste editie is geïllustreerd door ‘Jacoba’.

’t Jodinnetje van Elspeet is een klassieker. Tussen 1895 en 1950 beleefde dit boek zes drukken. De zin ‘Nathan is een eerlijke jood en geen smous’ werd na de eerste druk aangepast. Koningin Wilhelmina en prinses Juliana hadden zo’n bewondering voor dit boek, dat zij de schrijfster persoonlijk opzochten.

Herkomst en drukgeschiedenis

Omslag van de zesde en laatste druk, uit 1950. Illustratie: Claudine Doorman (1907-2004).

Bertha Elisabeth van Delden (1847-1936) was de dochter van een burgemeester. Op 21-jarige leeftijd trouwde zij met de twintig jaar oudere J. Corstianus van Osselen, indertijd notaris in Putten. Haar man had een ernstige oogkwaal en werd langzaam blind. Vanwege hun benarde financiële situatie begon Bertha van Osselen-van Delden in 1891 met het schrijven van kinderboeken. ‘Haar echtgenoot’, schreef Lamberthe de Jong in een portret van de schrijfster, ‘was niet enthousiast over de verdiensten van zijn vrouw (hoe weinig ook), want eind negentiende eeuw was het in hun kringen niet gebruikelijk dat vrouwen geld verdienden. Bertha schreef daarom vaak in het geheim.’

Een portret van B.E. van Osselen-van Delden. Jaartal en maker zijn mij niet bekend. (bron)

Het kostte Van Osselen-van Delden moeite om een uitgever te vinden. Haar eerste boek, Hansje Rozengaarde, verscheen in 1891 bij uitgeverij Allert de Lange in Amsterdam. Zij kreeg er slechts vijftig gulden voor en haar contract bepaalde dat ook de rest van haar werk bij deze uitgever moest verschijnen. In totaal schreef zij negentien jeugdboeken, plus enkele vertalingen.

’t Jodinnetje van Elspeet maakte haar bekend. Van Osselen-van Delden kreeg achtereenvolgens koningin Wilhelmina en prinses Juliana op bezoek, die haar werk bewonderden. Het dagblad Het Vaderland besteedde in 1927 aandacht aan de tachtigste verjaardag van de schrijfster. ‘Uit elk werkje spreekt haar warme, goede moederhart. En op meesterlijke wijze weet ze haar paedagogische beschouwingen in haar geschrijf te verwerken. (…) Geen wonder dat haar boeken bij de jeugd nog even gewild zijn, als toen ze pas verschenen. Welk meisje kent niet het romantische: Het jodinnetje van Elspeet of De schaapskooi op de Elspeeter heide?’

De vijfde druk van ’t Jodinnetje van Elspeet, die in 1936 verscheen, werd uitgebreid met een biografisch portret van de schrijfster, geschreven door Marie Hildebrandt. ‘Mevrouw van Osselen-van Delden’, aldus Hildebrandt, ‘is een heel goede bekende van onze kinderen; ze was het in vroeger tijd, ze zal het zeker in de toekomst blijven.’ Toen Van Osselen-van Delden een paar maanden later overleed, maakten allerlei kranten daar melding van. ‘Mevrouw van Osselen, die den leeftijd van 89 jaar bereikte, mocht dit voorjaar nog beleven dat een begin werd gemaakt met den herdruk van haar bekendste boeken’, aldus Het Vaderland op 5 juni 1936.

’t Jodinnetje van Elspeet beleefde zes drukken: in 1895, 1901, 1910, 1919, 1936 en 1950. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk.

Deze advertentie verscheen in 1936 diverse malen in het Nieuw Israelietisch Weekblad. Kennelijk nam dit weekblad geen aanstoot aan dit jeugdboek.

Samenvatting

Roosje Rubens woont met haar vader en oudere broer in Elspeet. Haar moeder is overleden. Roosje is vijftien en heeft grote zwarte ogen en zwarte krullen.

Nathan, haar vader, is marskramer en verkoopt ‘oudheden’: aardewerk, gespen, ‘eau de reine doosjes’, horlogekettingen, porselein, tinnen bekers, enzovoorts. Hij is een eerlijke koopman (zie hieronder). Daniël, de broer van Roosje, handelt ook, maar hij is meer gericht op winst dan op eerlijkheid. Van een joodse koopman heeft hij geleerd: ‘Een koopman moet bedriegen, anders wordt hij bedrogen.’

Roosje kan prachtig zingen. Van gasten in een nabijgelegen hotel krijgt vader Rubens het advies om Roosje een zangopleiding te laten volgen. Hij wil daar niets van weten. Zijn zuster Rosa kan ook prachtig zingen, maar in zijn ogen heeft haar dit slechts ongeluk gebracht: zij mocht geen opleiding volgen, is van huis gevlucht en verstoten. Weliswaar is ze nu een bekende operazangeres, maar ze is ‘ongehoorzaam aan haar vader geweest, en dat is slecht’.

Op een dag wordt Roosje ontvoerd door Janus Trompet (een ‘leelijken vent’ met een ‘zwarte stoppelige baard’) en zijn hekserige, drankzuchtige vrouw Ka, die met hun ‘kermiswagen’ door Europa trekken. Zij hebben al eerder een meisje ontvoerd, Santje. Die geld haalt geld voor ze op als ‘hardloopster’(zij draagt belletjes om haar handen en enkels). Roosje moet geld voor Janus en Ka verdienen door op straat te zingen. Ze oogst veel succes want Roosje ‘zingt als een vogel zoo helder en de noten rollen glaszuiver uit haar keel’.

Roosje betrapt haar broertje Daniël in het bos bij Elspeet. Daniël heeft oren aan een oud kannetje gelijmd dat hij als ongeschonden antiek wil verkopen. Roosje zegt: ‘Ik zou nog liever willen sterven, dan dat je een bedrieger werd.’

Roosje na haar ontvoering in de ‘kermiswagen’ met de kwaadaardige Ka en de blonde Santje, een meisje dat eveneens ontvoerd is. De illustraties staan in de eerste druk (1895) en zijn gemaakt door ‘Jacoba’.

Een jaar lang trekken Roosje en Santje met ‘zwarte Janus’ en Ka door Duitsland, Frankrijk en België. In Brussel neemt Janus de kinderen op een avond mee naar de opera – hij wil dat Roosje ‘nieuwe deuntjes’ leert. In de operazangeres herkent Roosje haar tante Rosa Rubens, bij het publiek bekend als Rosina Rubini. Als Rosa kort daarop met een koets door Brussel rijdt, probeert Roosje haar aandacht te trekken door hard een wiegeliedje te zingen dat zij ooit van haar tante heeft geleerd. Haar opzet mislukt, net als een latere ontsnappingspoging.

Bij een kort bezoek aan Elspeet hoort Rosa voor het eerst dat Roosje is ontvoerd. Zij besluit alles op alles te zetten om haar nichtje te vinden. Met hulp van de politie vindt Rosa haar nichtje terug in Parijs. Zwarte Janus en Ka worden gevangen gezet.

In Elspeet zijn vader en Daniël zeer ontroerd als zij horen dat Roosje is teruggevonden. Tegen Daniël zegt vader: ‘Kom hier, bedaar mijn zoontje, keer je naar het Oosten en dank God.’ Daniël heeft zich al die tijd schuldig gevoeld. ‘Roosje zei dat zij nog liever wilde sterven dan mij oneerlijk te zien, en ik werd boos (…). Dien zelfden avond dacht ik dat zij dood was (…) en toen vader, had ik een gevoel alsof ik haar vermoord had. En toen ik den volgenden dag hoorde, dat zij leefde maar door dien kermisman gestolen was, heb ik mij zelf beloofd nooit weer te bedriegen of oneerlijk te zijn.’

Vader Rubens komt langzaam ‘tot de overtuiging dat het verkeer in de wereld en het zingen op concerten en in opera’s, aan zijne zuster volstrekt geen kwaad heeft gedaan’. Hij geeft Roosje alsnog toestemming om een zangopleiding te volgen. De slotzinnen van het boek luiden: ‘Nathan zegt nu zelf tot iedereen die het hooren wil: “Mijne dochter is eene groote zangeres en dat is goed, want men moet de talenten, die men ontvangen heeft, gebruiken.”’

De eerlijke jood

Nathan Rubens biedt hotelgasten in Elspeet antiquiteiten te koop aan. De illustratie is afkomstig uit de derde druk van ’t Jodinnetje van Elspeet (1910). De naam van de illustrator is niet bekend. Het gaat hier om een detail uit een grotere illustratie.

Het tweede hoofdstuk in ’t Jodinnetje van Elspeet is getiteld ‘De eerlijke jood’. In dit hoofdstuk vraagt Daniël Rubens aan zijn vader: ‘Heb je goeie zaken gedaan, vader?’ Vader antwoordt: ‘Je bent een flinke jongen Daantje, altijd met je gedachten bij de negotie.’

Daniël vertelt dat er in een naburig hotel gasten zijn gekomen die belangstelling hebben voor antiquiteiten. Vader: ‘Jongen, jongen, wat zit er een koopmansgeest in je.’ Vader vertelt dat hij die ochtend aan een opkoper uit Amsterdam bijna een schotel had verkocht die er ongeschonden uitzag, maar die in feite gelijmd was. Op het laatste moment had hij zich bedacht. ‘Toen ik het geld op wilde steken, dacht ik: als ze jou eens zoo fopten, zou je dan niet zeggen dat het gemeen was? Ben ik dan een gemeene kerel? een bedrieger? Neen, Nathan is een eerlijke jood en geen smous.’

Vanaf de tweede druk, uit 1901, is deze passage gewijzigd. In plaats van: ‘Nathan is een eerlijke jood en geen smous’ staat er: ‘Nathan is een eerlijke man.’ De titel van dit hoofdstukje bleef echter ‘De eerlijke jood’. In de zesde druk, die verscheen in 1950, werd dit ‘De eerlijke koopman’.

Doelgroep en receptie

De ondertitel van ’t Jodinnetje van Elspeet luidt: ‘Een boek voor jongens en meisjes.’ Dit jeugdboek stond jarenlang op de boekenlijsten in Het Jonge Volk, een uitgave van de socialistische jeugdbeweging AJC (Arbeiders Jeugd Centrale).

Ik vond vier besprekingen. ‘De schrijfster heeft een gezelligen, hartelijken toon en kleedt daarin de bontromantische avonturen van haar heldin’, aldus het tijdschrift Nederland half november 1895. Het Algemeen Handelsblad noemde ’t Jodinnetje op 21 november 1895 een ‘goed geschreven, aardig verhaal’. Het is ‘in zeer beschaafden, vloeienden stijl geschreven’, schreef de Arnhemsche Courant op 23 november 1895. De dag erop meldde de Delftsche Courant: ‘Een kinderverhaal in den juisten toon geschreven, onderhoudend en leerzaam.’

De ogen van Roosje

Illustratie uit de zesde druk van ’t Jodinnetje van Elspeet, uit 1950. Het oorspronkelijke onderschrift luidt: ‘Arm Roosje, wat zal er met haar gebeuren?’ De illustratie is gemaakt door Claudine Doorman.

Roosje Rubens heeft grote zwarte ogen. Die inspireerden de schrijfster Clare Lennart (1899-1972) toen zij in 1957 De ogen van Roosje schreef. Die roman gaat over de relatie tussen twee zussen. Ooit heeft de oudste zus de ogen verwijderd van een pop waar het jongste zusje erg aan gehecht was, een gebeurtenis die van grote invloed is op hun verdere leven. Over die pop vertelt Lennarts personage: ‘Ik had toen een pop, waar ik erg aan gehecht was. Ze heette Roosje naar het door mij teder beminde jodinnetje van Elspeet uit het boek van mevrouw Van Osselen van Delden. Mijn Roosje had echt zwart haar, dat je kon kammen en vlechten en haar porseleinen gezichtje met de bruine ogen, die slapen konden, had in mijn verbeelding precies die uitdrukking van weemoedige ernst, die ik in heldinnen uit boeken zo betoverend vond.’

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.