Ridder Silkema en horige Tjarda (1938)

Jeugdverhalen over joden (4)

Door Ewoud Sanders

Omslag van een bijdruk van de eerste editie, van omstreeks 1943.

Ridder Silkema en horige Tjarda verscheen in de ‘Roomsche Keur Serie’ en was bestemd voor kinderen vanaf tien jaar. Het joodse personage, de straatverkoper Miriam, is er met de haren bijgesleept en wordt uitgesproken antisemitisch beschreven. ‘Zwijg, hond van een Jood.’ In 1948 werd dit boek nog aanbevolen voor katholieke scholen.

Herkomst en drukgeschiedenis

Ridder Silkema en horige Tjarda is geschreven door Broeder Arsenius, de kloosternaam van Theodorus H. de Bont (1899-1971). Arsenius was verbonden aan de Congregatie Broeders van O.L. Vrouw van Lourdes. In 1938, toen de eerste druk van dit jeugdboek verscheen, was hij hoofd van een katholieke school in Rotterdam. In 1948, bij het verschijnen van de derde druk, was Arsenius hoofd van een ‘R.K. Muloschool voor jongens’ in Geldrop (Noord-Brabant).

Omslag van de tweede druk, uit 1945, onder de titel De Zwarte Ridder. Het Lectuur-Repertorium noemde De Zwarte Ridder in 1946 ‘Een eenigszins antisemitisch getint verhaal’.

Ridder Silkema en horige Tjarda werd gepubliceerd door uitgeverij M. Stenvert & Zoon in Meppel en beleefde hoogstwaarschijnlijk vier drukken: in 1938, 1943, 1945 en 1948. In 1945 luidde de titel De Zwarte Ridder, de overige edities verschenen onder de titel Ridder Silkema en horige Tjarda.

Samenvatting

Dit jeugdverhaal speelt in 1221 in Wassenaar en gaat over de edelman Silkema, een ridder die vol wrok is teruggekeerd van een kruistocht. Weliswaar is hij tijdens die kruistocht geëerd en onderscheiden om zijn moed, maar hij is daarin overtroefd door een van zijn horigen, de boerenzoon Tjarda. Dat kan Silkema niet verkroppen.

Het joodse personage in dit jeugdboek is er met de haren bijgesleept – hij speelt geen enkele rol in het eigenlijke verhaal: de tweestrijd tussen de boosaardige Silkema en de edelmoedige Tjarda. Desondanks is er aan dit joodse personage een apart hoofdstuk gewijd, getiteld ‘De jood Miriam in de donjon’.

Aan het begin van het boek is Miriam (een ongebruikelijke joodse mannennaam) al even geïntroduceerd. Tijdens een feestelijke intocht vraagt ridder Silkema aan zijn opzichter of er in de donjon van zijn kasteel momenteel nog gevangenen zitten. De donjon is een donkere, koude, muffe en vochtige kerker. Ja, er zitten twee gevangenen, antwoordt de opzichter: de vader van Tjarda en ‘een oude Jood die vlaggetjes verkocht voor uw blijde intocht. Hij had de grenzen overschreden van uw gebied en onze rakkers hebben hem daarom gearresteerd’.

De koopwaar van de joodse handelaar verandert een paar zinnen later van ‘vlaggetjes’ in ‘bloemen’ en vervolgens in (papieren) ‘roosjes’, maar hoe dan ook keurt Silkema het gedrag van dit ‘ellendige wezen’ af. ‘Wat een Jood al niet deed om geld. Hun fabelachtige rijkdom was dan ook spreekwoordelijk geworden. De geldbuidel van Miriam (…) zou wel een aderlating moeten ondergaan om vrij te komen; dat stond bij den ridder al vast.’

Later in het verhaal bezoekt Silkema de luid kermende Miriam in de donjon. De joodse handelaar werpt zich onmiddellijk aan diens voeten ‘om in zijn Joodse tongval zijn beklag te doen’. ‘O wai mir’, kreunt ‘de oude Jood’ wanhopig. Hij legt uit dat hij uit Leiden naar Wassenaar is gekomen om ‘roosjes’ te verkopen voor de feestelijke intocht. Silkema: ‘Heb je soms woekerwinst willen maken, Miriam?’

Met ‘verheffing van zijn nasale stem’ vraagt Miriam om medelijden, maar Silkema heeft geen geduld ‘met het zo versmade en geminachte ras’. Hij legt Miriam, die een ‘vuile grijze baard’ heeft, na enig heen en weer gepraat een hoog losgeld op. ‘Zwijg, hond van een Jood. (…) Jij met je baard van Abraham. Je zult me honderd goudguldens boete betalen, of ik zal je zoveel stokslagen laten toedienen als de baard van je aartsvader haren telde!!’

Arsenius: ‘Als een worm kromp de sjacheraar ineen, wrong zich kermend de handen en huilde wanhopig: “Nog nooit zoveel geld bijeen gezien en dat zou ik moeten betalen? Kom dappere held (…) heb medelijden met een zoon van Israël.”’

Miriam probeert de knieën van Silkema te omarmen maar die schopt ‘den kronkelenden aardworm’ ruw van zich af en schreeuwt hem toe: ‘Sterf dan in je kerker, hond!’

Dit is het laatste wat we in dit verhaal over de joodse straatverkoper uit Leiden vernemen.

‘De oude Jood Miriam’ werpt zich op de grond. De illustratie is gemaakt door Toon Rammelt (1910-1995).

Doelgroep en receptie

Ridder Silkema en horige Tjarda verscheen in 1938 in de ‘Roomsche Keur Serie’ en was bestemd voor kinderen vanaf tien jaar. Het tijdschrift Boekengids achtte het in 1946 geschikt voor kinderen van ‘13 à 15 jaar’.

De doelgroep blijkt ook uit de ondertitel. In 1938 luidde die: leesboek voor de hoogste klassen van de R.-K. lagere scholen. In 1948: leesboek voor de hoogste klassen van de R.K. scholen en het voortgezet R.K. lager onderwijs.

Van dit jeugdboek heb ik één bespreking gevonden. ‘Het had een meesleepend avontuur kunnen worden’, aldus de Boekengids, ‘de schrijver gaf het eerder een tam verloop. Onze jongens zullen uit het boek een concreet idee opdoen van het ridderleven, de kruisvaarten en de middeleeuwsche toestanden. En het beeld van de afgunst zal hun een prikkel zijn tot fair-play.’