Onderzoek zonder Facebook, hoe ging dat eigenlijk?

De geschiedenis van de collectie Nederlands in de Verenigde Staten in tien vragen.

Door Douwe Zeldenrust

Recent is aan het Meertens Instituut onder leiding van Nicoline van der Sijs het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ gestart. De onderzoekers zetten tegenwoordig digitale technieken in en gebruiken Facebook voor de contacten met de informanten. Dat ging in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen Jo Daan onderzoek deed en resten Nederlands in het buitenland vast wilde leggen, wel anders. Zij vertrok met een bandrecorder voor enkele maanden naar de Verenigde Staten en kwam terug met meer dan 100 opnames. De geluidsbanden en ook de bijbehorende documenten met daarin onder andere een reisverslag, zijn onderdeel van de collecties van het Meertens Instituut. De geschiedenis van die collectie is in tien vragen te reconstrueren.

Jo Daan (rechts) in Amerika (1966). Op de voorgrond staat een van de audioapparaten die Jo Daan gebruikte..

  1. Met een bandrecorder naar de V.S., is dat niet wat ouderwets, zelfs in de jaren ’60?

Tegenwoordig is het verzamelen van geluidsopnamen heel gemakkelijk. Iedereen kan, waar ook ter wereld, zelfs met zijn telefoon opnamen maken en die opsturen naar het instituut in Amsterdam. Maar dat Jo Daan een bandrecorder gebruikte was zestig jaar geleden wel degelijk heel innovatief. Zo werd door haar in 1957 de eerste draagbare bandrecorder van het Meertens Instituut gekocht om, naast de traditionele schriftelijke verslaggeving, ook de klanken van de dialecten te kunnen vastleggen. De veranderingen die zij bewerkstelligde kwamen niet zonder slag of stoot: Daan was vooruitstrevend en directeur Meertens behoudend. Zij ervoer de conservatieve houding en afwijzing van nieuwe inzichten van Meertens als ‘een blok aan het been’.

  1. Wat was het doel van het onderzoek van Jo Daan?

Jo Daan hoopte in 1966 in de Verenigde Staten te vinden wat in Nederland en België niet meer mogelijk was: stadia van het Nederlands en de streektalen uit het verleden. De doelstellingen van het onderzoek waren als volgt geformuleerd:

  1. ‘Resten van Nederlands en Streektalen in Nederland, waaronder Fries in de Verenigde Staten vastleggen op geluidband.
  2. Informatie verzamelen over oudere stadia van deze taalvormen, die in Nederland niet meer te horen zijn.
  3. Gegevens verzamelen over de invloed van het Engels op deze taalvariëteiten om een indruk te krijgen van de mate van resistentie van de verschillende taalkundige categorieën.’

In het nieuwe project zijn vooral de eerste en de laatste doelstelling nog steeds van belang. Omdat we ons er inmiddels van bewust zijn dat talen ook in isolatie blijven veranderen, is punt 2 misschien wat minder belangrijk. Wel hopen we tegenwoordig door informatie over emigranten ook iets beter te begrijpen wat de taalproblemen zijn van immigranten in Nederland.

  1. Er was in de jaren ’60 geen Facebook, hoe kwam Jo Daan aan informanten?

Het eerste contact voor Vertrokken Nederlands is de laatste maanden gelegd via Facebook: Nicoline van der Sijs werd lid van enkele honderden groepen op het sociale netwerk waar Nederlanders en Vlamingen in den vreemde zich verenigd hebben. Het kostte Jo Daan veel meer moeite om informanten te vinden. Ze plaatste een bericht in enkele dagbladen in Nederland met daarin de vraag aan de lezer om namen van familie, vrienden of kennissen die zich voor de Eerste Wereldoorlog in de Verenigde Staten hadden gevestigd, te sturen. Dat verzoek leverde een honderdtal brieven op. Maar bij nader inzien bleek volgens Jo Daan dat er bij deze groep geen sprake van een ‘taalontwikkeling in zeker isolement’. En dat was wel de bedoeling. Om informanten te vinden die wel zouden voldoen werd daarom contact gelegd met de Holland Information Service in Michigan. Daar had Jo Daan meer succes en via die organisatie lukte het haar de geschikte personen te vinden. Tevens zocht Jo Daan nog contact met Lagerway, hoogleraar Nederlands in de V.S. Zij vroeg ook zijn hulp (en kreeg die) bij het zoeken naar nog meer geschikte informanten.

  1. Stond Jo Daan alleen in haar ideeën?

Op verschillende plekken in Europa ontstonden in die periode vergelijkbare ideeën. Begin jaren ’60 werd door de Zweedse hoogleraar Hedblom onderzoek gedaan naar resten van het Zweeds in de Verenigde Staten. Hij bleek niet de enige uit Europa die belangstelling had voor de dialecten van emigranten. De ‘Pennsylvania Dutch’ – geen Nederlands maar Duits overigens – waren in die periode bestudeerd door Duitse onderzoekers en de Noorse taal in Amerika was bestudeerd door de hoogleraar Einar Haugen. Hedblom zou in deze fase van het opzetten van het onderzoek een belangrijk contact voor Daan zijn. Hij bezocht in de zomer van 1965 het Dialectenbureau in Amsterdam en spoorde Jo Daan aan om onderzoek te doen naar het Nederlands in Amerika. In de brief die Hedblom medio augustus 1965 naar Jo Daan stuurde, vertelde hij dat er ook een Fins onderzoek was gestart naar resten van die taal in de VS.

  1. Was Jo Daan de eerste die onderzoek deed naar het Nederlands van migranten in de V.S.?

Nee. Jo Daan was niet de eerste onderzoeker die bandopnames maakte van het Nederlands in Amerika. Er was eind jaren ’50 veldwerk gedaan door W.Z. Shetter, hoogleraar Nederlands aan de University of Bloomington. Hij had in periode van 1957 tot 1959 opnames van het Nederlands in Wisconsin gemaakt. Shetter had een twaalftal fragmenten opgenomen (in totaal bijna 50 minuten) en tevens een aantal korte vragenlijsten ingevuld aan de hand van de interviews die hij had gehouden. Shetter had in die periode onder andere gepubliceerd in Taal en Tongval over het Brabants dialect in Wisconsin. In 1958 had het Dialectenbureau (de voorloper van het Meertens Instituut) van Shetter een eerste band met opnames ontvangen. In 1960 volgde een tweede, uitgebreidere band met opnames.

  1. Als er al gewerkt werd aan het Nederlands in Amerika, waarom heeft Jo Daan dan nog onderzoek gedaan?

Het begin van het onderzoek van Jo Daan naar het Nederlands in Amerika berustte op toeval. In het voorjaar van 1965 bezocht Jo Daan de Verenigde Staten. Zij ging eerst op familiebezoek in Florida. Daarna bezocht zij ook New York en Washington en had daar afspraken met vakgenoten. Toen Jo Daan met de hoogleraar E. Krispijn sprak over dialectologie spoorde hij haar aan opnames te maken van het Nederlands in Amerika. Jo Daan vertelde dat zij niet beter wist dan dat Shetter er ‘mee bezig was’. Krispijn regelde nog diezelfde avond voor Jo Daan een diner met Shetter die – zo wist Kripspijn – in de buurt was. Shetter vertelde toen aan Jo Daan dat hij er niet verder mee zou gaan en gaf haar, wat betreft het onderzoek naar het Nederlands in Amerika, ‘plein pouvoir’. Jo Daan maakte later nog gebruik van het werk van Shetter. In 1966 interviewde zij enkele mensen die Shetter eveneens had geïnterviewd en zij zou Shetter ook in latere publicaties nog noemen.

  1. Was men in Nederland wel geïnteresseerd in het onderzoek van Jo Daan?

Ja, niet alleen het Dialectenbureau stond achter de ideeën van Jo Daan. Daan maakte haar onderzoeksplan in 1965 en eind augustus van dat jaar diende zij een subsidieverzoek in bij de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (de huidige Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). En met succes: op 20 december van dat jaar kreeg zij een positief antwoord op de aanvraag. Jo Daan zorgde ook nog voor extra middelen: de Fryske Akademy droeg financieel bij aan het veldwerk op voorwaarde dat het een kopie van de bandopnames van Fries sprekende emigranten zou krijgen.

  1. Hoe verliep het veldwerk?

Toen Jo Daan op 3 augustus 1966 samen met haar collega van de afdeling Dialectologie Henk Heikens in de Verenigde Staten aankwam was haar onderzoek goed voorbereid. Ze had een literatuurstudie gedaan, opname apparatuur en banden aangeschaft en een onderzoeksplan gemaakt. Bij het opzetten van haar reisschema had ze onder andere gebruik gemaakt van het werk van Henry S. Lucas, die ook geschreven had over de Nederlanders in Amerika en over de taal die door hen gesproken werd. Het veldwerk verliep voorspoedig en toen Jo Daan en Henk Heikens, eind oktober 1966, de Verenigde Staten na een intensieve rondreis verlieten, hadden ze een omvangrijke collectie aangelegd.

  1. Wat was het resultaat?

Uiteindelijk werd tijdens het verblijf het Nederlands, Fries of dialect vastgelegd van 285 informaten in 122 opnames. De totale speelduur van de opnames was ongeveer 75 uur. Van de opnames werden de technische gegevens vastgelegd. Tevens werden van alle sprekers de persoonlijke gegevens genoteerd en werd een vragenlijst ingevuld. Die vragenlijst was samengesteld naar het voorbeeld van dialectvragenlijsten die in Nederland gebruikt waren. Ook werd van de informanten een foto gemaakt door Henk Heikens. Het geheel is opgenomen in de collecties van het Meertens Instituut. De verwerking van de gegevens bleek weerbarstig en uiteindelijk schreef Jo Daan in 1987, na meer dan 20 jaar na het onderzoek, de monografie ‘Ik was te bissie… Nederlanders en hun taal in de Verenigde Staten’.

  1. Is de collectie ooit verder gebruikt?

Ja. Het onderzoek heeft geleid tot diverse publicaties, vervolgonderzoeken en nieuwe collecties. Zo gebruikte onderzoeker Henriëtte Schatz in begin jaren ’80 het materiaal bij een onderzoeksproject en werd de collectie later door de directeur van het instituut Jaap van Marle, ingezet voor een promotieonderzoek. Het veldwerk dat daarbij in 1989 werd verricht leverde opnieuw een omvangrijke collectie op. Daarna is vanaf 2008, in een periode van vijf jaar, door de afdeling Collecties het materiaal gedigitaliseerd en beschikbaar gesteld via internet.[†] Bijna 50 jaar na het bezoek van Jo Daan aan de Verenigde Staten staat het onderwerp nog steeds in de belangstelling. Zo schreef in 2013 Nicoline van der Sijs over het corpus Nederlands in Amerika en nieuwe (digitale) onderzoeksmogelijkheden. En in 2015 riep onderzoeker van het Meertens Instituut Marc van Oostendorp op om ‘(…) nog eens terug te gaan en het experiment te herhalen.’ Met de start van het project ‘Vertrokken Nederlands’ zou je kunnen zeggen dat dat nu op nog grote schaal gebeurt. Opnieuw op een moderne, innovatieve manier en dus geheel in lijn met het gedachtengoed van Jo Daan.

Meer informatie over Vertrokken Nederlands is te vinden op de website van het Meertens Instituut.

Ook over de collectie Nederlands in de Verenigde Staten en over de andere collecties van het Meertens Instituut is meer te vinden op de website van het instituut.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

2 Responses to Onderzoek zonder Facebook, hoe ging dat eigenlijk?

  1. Rob Alberts schreef:

    Tja, die onderzoeken die Facebook doet staan in een kwaad daglicht.

    Het ouderwetse handwerk blijft mooi.

    Vriendelijke groet,

  2. Drs. Peter Starmans schreef:

    Mijn petje af voor Jo Daan, dfie geweldig werk heeft verricht met andere hulpmiddelen. Mijn petje af ook voor Nicoline van der Sijs, die op een moderne manier probeert erachter te komen, hoe het Nederlands dat vanuit Nederland vertrokken is ervoor staat.

    Dat zou wel eens heel interessant kunnen worden, omdat de moderne contacten door skype, Facebook, whatsapp etc. vandaag de dag zo Anders zijn en ook waarschijnlijk zoveel invloed hebben op de manier waarop het Nederlands in het buitenland nog voortleeft of juist niet voortleeft.

    Het initiatief ‘Vertrokken Nederlands’ is op zich een voortzetting van het werk van Jo Daan, maar het is door de moderne omstandigheden, omgeving en mogelijkheden ook heel Anders en misschien wel veel moeilijker. Succes ermee, Nicoline!

    Peter Starmans, oud-docent voor Nederlandse Taal en Cultuur aan de Uiniversiteit van Helsinki.

Reacties zijn gesloten.