Onderweg naar Kriekeputte

Een literair-historische omweg tijdens Vossen. Expeditie in het land van Reynaert 

Door Jan de Putter
Voor Ingrid Biesheuvel. Ter gelegenheid van haar afscheid

De dijk van de Rode Moerpolder (foto Kees Verplanke)

Velen zijn door de baas van de Katoen Natie, Fernand Huts, al verleid om op de fiets te stappen en deel te nemen aan zijn spektakel Vossen. Expeditie in het land van Reynaert. Reynaert gidst de bezoeker van de ene locatie naar de andere en brengt hem uiteindelijk naar Huts’ schatten in het ‘Huis van Zonde’, de voormalige pastorij van Kieldrecht. Kriekeputte, de plaats waar de legendarische schat van koning Ermerike verborgen zou zijn – de ultieme plaats van zonde volgens sommige onderzoekers -, toont hij echter niet. Voor veel Reynaertliefhebbers zal dit een teleurstelling zijn. De plaats wordt immers gezien als het ultieme bewijs van de verbondenheid van de Reynaert met de streek!

De route van Vossen komt echter wel dicht langs een aantal locaties waarvan gezegd is dat daar het legendarische Kriekeputte te vinden was. Deze plaatsen vallen eenvoudig te bezoeken door min of meer de kleine lus die de route van Vossen vanuit Hulst maakt, te volgen. Een lus die symbolisch mag staan voor het kromme pad dat het Reynaertonderzoek volgt om bij Kriekeputte te komen. We gaan op zoek naar waar Kriekeputte lag om ons een beeld te vormen van wat voor plek het in het midden van de dertiende eeuw geweest zou kunnen zijn.

Het ’s Landshuis in Hulst is het startpunt voor onze ‘expeditie Vossen’, waar ook toegangsbewijzen, routekaarten en informatie voor de reguliere fietstocht verstrekt worden. Vanuit Hulst volgen we eerst de route van Vossen en nemen vervolgens de grote weg naar Nieuw-Namen, de Woestijnestraat. Het toponiem Woestijnestraat verwijst naar de middeleeuwse ontginningen. Met een ‘woestine’ werd uitgeveend land aangeduid, dat nog niet in cultuur gebracht was. In de Reynaert komt dit woord ook voor in verband met Kriekeputte. Deze oude weg loopt over een dekzandrug en op enkele plaatsen is nog te zien dat de weg wat hoger ligt.

Vanaf deze weg is het eerste wat de fietser van Nieuw-Namen ziet, een relict uit de Koude Oorlog, een luchtwachttoren. Luchtwachttorens zijn na de oorlog gebouwd om het vaderland te beschermen tegen vijandelijke vliegtuigen die onder de radar vlogen. Een grens is altijd een plaats waar menselijke dwaasheid aan de oppervlakte komt.

Nieuw-Namen ligt een aantal meters boven de omgeving. Het is de plaats waar in de Middeleeuwen de uithof Hulsterlo van abdij van Drongen stond. De kapel was een geliefd bedevaartsoord. Het elfde-eeuwse Mariabeeld dat daar vereerd werd, heeft alle oorlogen overleefd en wordt nu bewaard in de voormalige abdij- nu parochiekerk van Drongen bij Gent.

Nieuw-Namen is een bijzondere plaats. Achter de kerk ligt het ‘aardkundig monument’ de Meester van der Heijden-groeve. In deze groeve komt een aardlaag van tweeënhalf miljoen jaar oud aan de oppervlakte. Hier heeft zich tijdens de laatste ijstijd dekzand op afgezet. De dekzandrug strekt zich uit tot Clinge. Tot in de Middeleeuwen stond hier op het zand een bos. Het bos heeft de naam gegeven aan de plaats. Naar dit bos, niet naar de menselijke bewoning, verwijst Reynaert. Ten noorden en ten zuiden van dit bos waren moeren, veengebieden, die vanaf de twaalfde eeuw ontgonnen werden. Het moer zal op sommige, drogere plaatsen begroeid zijn geweest met elzen en berken, weer op andere plaatsen zal het moerassig geweest zijn.

Reynaert vertelt in de middeleeuwse tekst hoe we vanuit het bos Hulsterlo bij Kriekeputte moeten komen.

Int oest hende van Vlaendren staet
Een bosch, ende heet Hulster Loe.
Coninc, ghi moghet wesen vroe,
Mochti onthouden dit:
Een borne heet Krieke Pit.
Gaet zuut west niet verre danen. (A 2574-2578).

Kriekeputte ligt bij Hulsterlo up dien moer in die wostine (A 2661), bevestigt Cuwaert de haas.

De aanduidingen het ‘oosteinde’ en zuidwestelijk zijn een beetje misleidend voor de moderne lezer. Gebruikelijk was het in de Middeleeuwen om het noorden loodrecht te situeren op de Noordzeekust en het oosten in het noordoosten. Dat verklaart ook de ligging van de West-Vlaamse plaatsen Oostende en Westende ten opzichte van elkaar. Het bos van Hulsterlo wordt dus in het uiterste noordoosten van het graafschap Vlaanderen gesitueerd, wat in overeenstemming is met de werkelijke ligging. Kriekeputte moet zich zuidelijk van dit bos bevinden.

Verwonderlijk is het dus niet dat de eerste speurders naar Kriekeputte dachten dat de plaats ten zuiden van Nieuw-Namen moest zijn. Het grensdorp Nieuw-Namen is aan de Belgische kant vastgebouwd aan Kieldrecht, een dorp dat gesticht is als een veenontginnersdorp. De pastorij is nu getransformeerd in de tentoonstellingsruimte ‘Huis van zonde’ waarin de bezoeker zich kan verlustigen aan Huts’ verzameling schilderijen. Vanaf de pastorij moeten we niet de hoofdroute volgen, maar de weg genaamd de Kreek (op de kaart de onderbroken lijn).

Even ten zuiden van Kieldrecht ligt dan de Grote Geule, een kreek waarvan onderzoekers dachten dat die gelijkgesteld kon worden met de kreek van de Kriekeputte, een naam die verklaard kun worden als ‘de Kreekput’. Zijn huidige vorm kreeg de kreek door een stormvloed in de negentiende eeuw. De geschiedenis van de kreek gaat echter maar terug tot de zestiende eeuw toen het gebied geïnundeerd werd door de Staatse troepen om Antwerpen te ontzetten. Bijna heel het uitgeveende gebied tussen de Nederlandse grens en de expresweg Antwerpen-Knokke (A 11) kwam onder water te staan. Toen het gebied weer ingepolderd werd, waren op veel plaatsen de sporen van de middeleeuwse veenontginningen met zijn kenmerkende verkaveling weggevaagd door de zee die het oude land bedekte met een vruchtbare kleilaag.

Via een paar binnenweggetjes komen we terug op de route: De Koningsdijk volgt precies de grens tussen Nederland en België. De grens dateert niet uit de zeventiende eeuw toen de troepen van de Noordelijke en Zuidelijke Nederland hier hard gevochten hebben, maar nog uit de Vroege Middeleeuwen. Het bos vormde van ouds de grens tussen de bisdommen Utrecht en Doornik en werd bij de verdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 een rijksgrens.

‘Kriekeputte’ bij Clinge. (foto Kees Verplanke)

Aan het einde van de Koningsdijk zien we het Kriekeputdreefje liggen. Weinig deelnemers aan Expeditie Vossen zullen vermoeden dat in de bossen een geheimzinnig, betoverend watertje te vinden is, dat ook wel aangezien is voor Kriekeputte. Er staan berkenbomen en in het water bloeien waterlelies. Kriekeputte is een van de Weelkens, waar het water opwelt uit de dekzandrug. Helaas kan dit Kriekeputte niet zijn. De naam is pas in de twintigste eeuw aan het watertje gegeven. Het lag bovendien in de dertiende eeuw niet in het moer, maar in het bos van Hulsterlo.

Naar het zuiden, waar Kriekeputte zou liggen, voert de Rodemoerdijk, deels onverhard. Na zo’n twee kilometer wordt een kreek bereikt, ook een restant van de inundaties uit de zestiende eeuw. Deze Geul Twaalf Gemeten laten we links liggen en gaan van de route af naar de Eekbergstraat, richting het gehucht Het Kalf. Deze hoger gelegen zandrug diende als ontginningsbasis voor het moer dat eigendom was de abdij van Drongen. Volgens een verloren pachtboek uit het archief van de abdij van Drongen 1444, waar wel een foto van genomen is, moet zich in de ontginning ten noorden hiervan een perceel land bevonden hebben dat Ten Criekeputten heette: dland ten Criekeputten groot omtrent .xi. bunder .ii. ghemete .cx. roeden. Omgerekend is de oppervlakte van deze landbouwgrond meer dan 15 ha. Er is geen spoor meer van terug te vinden van een put. Volgens recent onderzoek was er al geen put meer in de vijftiende eeuw.

Uit: Tijdschrift voor Taal en Letteren 12 (1924), p. 52

De laatste onderzoeker die zich met de naam Kriekeputte bezig heeft gehouden is Luc van Durme. Kriekeputte was volgens hem een veenput. Hij meent dat het eerste lid van de naam, ‘krieke-’ niet verwijst naar een kreek, maar naar een kleur. Het woord krieken betekent morgenschemering, ochtendgrauw, het krieken van de dag. ‘Krieken’ duidt dan op een type veen met een grijsgrauwe kleur. Kriekeputte was volgens Van Durme een veenexploitatie. Gysseling dacht dat ‘krieken-’ een roodachtige kleur kan aanduiden. Vruchten zoals krieken (kersen) ontlenen hun naam aan de kleur. Ik sluit dat niet uit, want het moer waar Kriekeputte lag, werd immers het Rode Moer genoemd.

Het moershoofd, de ontginningsbasis, moet zich aan de Eekbergstraat bevonden hebben. De breedte van zo’n moershoofd kon variëren al naar gelang de plaatselijke omstandigheden. Vaak strekten zich vanaf het moershoofd 9 stroken van 9 roeden breed (34,5 meter) uit. Elke strook was idealiter 100 roeden lang (385,5 meter), een bunder. De bunder was de basiseenheid van de ontginning. Bij voorkeur bestond zo’n veenontginning uit 9 bunder. Een uitgemoerde veenput had dus idealiter de omvang van een fors boerenbedrijf, zo’n 12 ha. Met 15 ha was Kriekeputte zelfs nog groter (hier, p. 487).

Met een bunder zonder meer werd soms simpelweg ook een veenperceel aangeduid. Beatrijs Augustyn gaf in haar dissertatie een aantal voorbeelden van het gebruik van het woord ‘bonre’ hiervoor: Elc bunre breet ten voorhoofde 5 roeden (…) ende lanc up biden ziden 157 roeden (hier, p. 489). Dit geeft een verklaring voor het ‘borne’: Kriekeputte is geen waterbron, maar een ‘bonre’, Kopiïsten hebben deze specifieke betekenis van het woord ‘bunder’ niet begrepen en dachten dat het om een waterbron ging en verwisselden de ‘r’ en de ‘n’. Het vers Een borne heet Krieke Pit/ Gaet zuut west niet verre danen laat zich met de emendatie ‘bonre’ nu echter eenvoudig vertalen als: een veenderij Kriekeput genaamd strekt zich ten zuiden van het bos van Hulsterlo uit.

Kriekeputte ligt Up dien moer in die wostine (A 2661), zegt Cuwaert de haas. Voor deze woorden geeft Van Durme de verklaring dat Kriekeputte ligt in het afgegraven gedeelte van het moer bij Hulsterlo. Mensen kwamen bij Kriekeputte langs het moershoofd. De dieren kwamen bij Kriekeputte vanuit het bos van Hulsterlo en het moer. Die wildernis was de wereld van de dieren. Een veenput was de plaats waar de mensenwereld aan de dierenwereld grensde.

De berken waar de schat gelegen zou hebben, zouden zich dus bevonden hebben aan het achtereinde van de put, op een plaats waar het net iets droger geweest moet zijn. Een moeilijk bereikbare plaats, omdat de omgeving waarschijnlijk drassig en moerassig was. Een van de meest woeste gebieden die er bestaan zegt Reynaert, alleen de uil en ‘de scuvuut’ nestelen daar.

Volgens een fabel werd de uil verjaagd door de andere dieren. Afbeelding uit de Dialogus Creaturarum

Een ideale plek voor ballingen die zich aan het gezag wilden onttrekken. De uil en de ‘scuvuut’ – ik denk dat deze vogel de oehoe is – die daar nestelen, zijn volgens een fabel ook verjaagd uit het rijk van de vogels en moeten zich overdag verstoppen.(voor deze en andere verklaringen hier, p. 52-71). Daar ook zou Reynout de Ries valse penningen hebben geslagen, laat Cuwaert de haas zich ontglippen.

Het lijkt me waarschijnlijk dat de verwijzing naar valsemunterij bij Kriekeputte een verwijzing is naar een valsemunterszaak uit 1248, het jaar waarin ik om andere redenen denk dat de Reynaert geschreven is (zie hier p.218). In 1248 ontstond er tot in Engeland grote commotie vanwege het valse geld en besnoeide penningen die in omloop gebracht zouden zijn door Joden, enkele louche geldwisselaars en een paar Vlaamse wolhandelaren. De valse munten waren dus waarschijnlijk uit Vlaanderen afkomstig. Volgens de kroniekschrijver Matthew Paris bemoeide de Franse koning Lodewijk de Heilige zich met de zaak en verordende dat de valsemunters opgehangen zouden worden. De Franse koning oefende op dat moment ook gezag uit over Vlaanderen en was van plan met de zoon van de gravin op kruistocht te gaan. Zij wilden hun rijk in rust achterlaten. Dat alles zal geleid hebben tot een klopjacht op de valsemunters, die zich vermoedelijk in Vlaanderen bevonden.

Ik geloof niet dat het publiek wist waar Kriekeputte lag. De plaats is slechts eenmaal vastgelegd in een nu verloren archiefstuk. Reynaert maakt zeker niet zijn leugen geloofwaardig door te verwijzen naar plaatsen die bij het publiek goed bekend waren, zoals te lezen is in het speciale nummer van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen dat ter gelegenheid van de tocht werd gepubliceerd. De tekst suggereert trouwens zelf dat het primaire publiek alleen maar van de plaats gehoord had door de associatie met valsemunterij van Reynout de Ries. Willem gebruikt dat gegeven door het in verband te brengen met de niet-bestaande schat van koning Ermerike. Mensen die geloven in het bestaan van die schat zijn dwaas.

Wie ons gevolgd heeft, kan bij Kriekeputte zijn fiets keren en terug de route volgen. Tot waar de route van Vossen zich splitst in de veertig en zestig kilometertocht, kan zich de Kriekeputte uitgestrekt hebben. Links afslaan door de Rodemoerpolder en vervolgens door het Stropersbos bij De Klinge terugfietsen naar Hulst. Op de grens rijden we voorbij een reconstructie van ‘de doodendraad’ uit de Eerste Wereldoorlog.

Vossen. Expeditie in het Land van Reynaert loopt nog tot 30 september. De plaatsen die aangezien worden voor Kriekeputte zijn het hele jaar door vrij bereikbaar.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.