Nee, dankjewel

Door Riny Huijbregts

Naar aanleiding van een onderzoek van N.J. Enfield (MPI, Nijmegen) en collega’s naar hoe, en hoe vaak, universele gevoelens van dankbaarheid en sociale reciprociteit in verschillende taalculturen worden uitgedrukt, merkt mede-auteur Mark Dingemanse in de wetenschapsbijlage van NRC (24 mei 2028) terecht op dat er ook andere dingen zijn om je druk over te maken dan het “in kaart brengen van grammaticale structuren.” Hij zegt letterlijk: “Maar het is net zo belangrijk om te begrijpen hoe taal in het echt gebruikt wordt.” Hier wordt gesteld dat inzicht in het “echte” gebruik van taal “net zo belangrijk” is als inzicht in grammaticale structuren.

Triple I

De keuze van de uitdrukkingen “echt” en “net zo belangrijk” is hier uiterst ongelukkig en geeft blijk van een haast onuitroeibaar dogmatisch denken dat taal gelijkstelt aan communicatie, of tenminste communicatie als primaire functie van taal aanwijst. Maar deze gedachte is volstrekt onjuist. Talige communicatie vooronderstelt taal en niet omgekeerd. Onderzoek naar structuur van taal heeft daarom intellectuele voorrang boven onderzoek naar het gebruik ervan. Zelfs in de cognitieve neurowetenschappen zijn vooralsnog “echte” patronen van taalgebruik in het brein evenmin “net zo belangrijk” voor ons begrip van menselijke taal als de stevig gevestigde categorieën uit de computationeel generatieve taaltheorie. Distinctieve ERP-patronen correleren bv. nauwgezet met specifieke linguïstische categorieën maar zijn los van deze correlaties gewoon curiositeiten. De linguïstische begrippen zijn goed ingebed in taaltheoretische kennis maar de electrofysiologische potentiaal patronen missen een vergelijkbare neurofysiologische theorie: een volstrekt andere distributie van potentialen over taalkundige categorieën zou geen verschil hebben gemaakt.

In vergelijkbare zin is voor sociolinguïstiek generatieve grammatica net zo belangrijk als taalgebruik maar geldt dit omgekeerd niet. Wij spreken weliswaar van “lichaamstaal” maar we bedoelen hier communicatie mee zonder dat er ook maar sprake is van taal. Deze eenheden zijn wezenlijk ongelijkwaardig. De een kan het stellen zonder de ander. Simpel gesteld, taal is een biologisch systeem met triple I-qualificaties (intern, individueel, intensioneel). Het is een interne eigenschap van het individu in wiens brein het is opgeslagen als een functie in intensie, een generatief programma dat gebruikt kan worden op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden. Communicatie (in spraak of gebaar) is hier slechts één voorbeeld van.

Bovendien is communicatie niet gebonden aan taal. Het zijn daarom onafhankelijke grootheden die tot op zekere hoogte los van elkaar bestudeerd kunnen worden. Communicatie in spraak of gebaar vooronderstelt echter wel de beschikbaarheid van interne taal, dus van grammaticale structuur. Taalstructuur heeft dan ook een logische en epistemologische prioriteit over het gebruik van taal. Ten slotte, het taalsysteem moet ook groeien en zich ontwikkelen in het kind voordat talig communiceren mogelijk wordt.

Kernpunten

Er bestaan dus asymmetrische verhoudingen tussen systeem en het gebruik ervan. Gebruik en toepassing van electromagnetisme in mobiele telefonie, MRI, personal computer of magnetrons werden niet echt gehinderd door kennis van de onderliggende Maxwell vergelijkingen. Onderzoek naar de mechanica en aerodynamica (lift, stuwkracht, etc.) van straalmotoren gaat onweerlegbaar vooraf aan het feitelijk in productie brengen van straalvliegtuigen en het maken van video opnames over het “echte” gebruik er van. In het geval van taal (een biologisch systeem) is het niet anders gesteld. Het idee dat taal wordt “gevormd” door sociale interactie en ook hiervoor bedoeld is, vindt dan ook geen steun in resultaten van onderzoek naar het intern taalsysteem en heeft alleen enige realiteitswaarde wanneer taal primair wordt begrepen als taalgebruik. Maar alleen geëxternaliseerde taal (spraak inclusief lexicon) is onderhevig aan verandering, niet het interne systeem dat onafhankelijk van deze veranderingen opereert en voor zover we weten sinds zijn evolutionaire ontstaan op kernpunten onveranderd is gebleven.

Eén-op-één

Laten we ons ten slotte concentreren op een bescheiden maar breed uitgemeten resultaat van het onderzoeksproject van N.J. Enfield dat door de Europese Onderzoeksraad (ERC) wordt gesubsidieerd. De onderzoeksvraag in deze studie gaat over de mate waarin mensen in de informele dagelijkse omgang met elkaar verbaal uiting geven aan hun gevoelens van dank voor anderman’s hulp of samenwerking. De hypothese was dat dit vaak zou gebeuren. Maar het belangrijkste onderzoeksresultaat was dat dit (met geringe cross-culturele variatie) in alle talen opmerkelijk weinig gebeurde. Dankjewel wordt maar met mondjesmaat en niet in elke cultuur gebruikt. Zoals de titel van het artikel al aangeeft “suggereren” deze resultaten dat “the potentially universal experience of gratitude should not be conflated with culturally variable practices of expressing gratitude.” Dat wil zeggen: gevoelens van dankbaarheid laten zich niet één-op-één vertalen in gesproken taal.

Ongegrond

Grote verrassing? Niet echt. Emoties, gedachten en taalgebruik zijn onafhankelijke grootheden. Wie had ooit anders gedacht? Wie zou werkelijk gedacht hebben dat universele gevoelens van dankbaarheid wèl op een vergelijkbare wijze uitgedrukt worden in verschillende en cultureel bepaalde vormen van taalgebruik? Diverse taalgemeenschappen vloeken, verwensen, vleien, en verleiden met redelijke waarschijnlijkheid op een voor elke gemeenschap verschillende manier, en ze doen dat in meerdere of mindere mate. Hier is het niet anders. Wat is hier dan nieuw? Het is een open deur dat zelfs afgezien van culturele verschillen emoties zelden worden uitgesproken. Meer algemeen wordt maar een fractie van onze gedachten in taal uitgedrukt. Dit is precies een van de redenen waarom taal primair een computationeel systeem is en ontworpen is als een instrument voor “audible thought” (William Dwight Whitney).

Emoties van dankbaarheid mogen dan hebben geleid tot “upstream indirect reciprocity” (iemand die net hulp ontvangen heeft is eerder bereid ook aan anderen hulp te bieden), maar “indirect reciprocity” is zelf geen causaal mechanisme in de evolutie van cooperatie geweest. Aldus Nowak & Roch (2007). Het kan hooguit geëvolueerd zijn als “bijvangst” van een dergelijk mechanisme, bv. “direct reciprocity,” en zo het samenwerkingsniveau wat hebben verhoogd. Volgens Nowak (2006) en Nowak en Roch (2007), wiskundige modellen van evolutionaire dynamica waar Enfield en collega’s op steunen, evolueerde coöperatie langs andere banen waar universele emoties van dankbaarheid geen primaire rol van betekenis speelden, and taal-specifieke uitingen van dankbaarheid bijgevolg al helemaal buiten spel stonden (zie hier en hier).

Hoe past deze studie van Enfield in dit alles? Niet. Zelfs naar eigen standaard was deze oefening een overbodige en zinloze exercitie, en waren de “verwachte” resultaten bij voorbaat ongegrond.

We weten nu wel beter dat dankjewel niet echt bijdraagt aan sociale wederkerigheid. Maar we wisten al dat zelfs onderliggende emoties van dankbaarheid geen primaire factor in de evolutie van coöperatie (“sociale reciprocity”) kunnen zijn geweest. Zijn de gevonden uitkomsten meer dan irrelevante weetjes? Probleemstelling en onderliggende idee blijven impliciet. Er zijn wel enige verwachtingen en uitkomsten, maar als dit al niet echt op een verklaring lijkt, komt dat misschien omdat dit er ook echt geen is. Er ontbreekt een theoretisch model met enige deductieve structuur. Daarom overheerst vooral scepsis: hoe zal deze modus operandi meer op kunnen leveren dan descriptieve taxonomieën van vaak irrelevante trivia? De situatie benadert wel heel erg dicht Chomsky’s bijtende parodie op filmende natuurwetenschappers die op video zoveel mogelijk “echte” beelden van vallende herfstbladeren proberen vast te leggen. Zij krijgen een uitvoerige en gedetailleerde kijk op vallende bladeren maar blijven verstoken van inzicht in de natuurwetten van valbewegingen.

Principiële verklaring

Behalve curieus vanwege de redenen die al genoemd zijn, lijkt de conceptuele onderbouwing van de onderzoeksvraag even zinloos als onzinnig. Zinloos omdat afhankelijk van de rekkelijkheid van het begrip ‘sociaal’ de hoofdconclusie van het artikel – “maintenance of social reciprocity does not depend on the verbalization of gratitude” – zonder noemenswaardig experimenteel onderzoek ook “in het wild” op camera kan worden vastgelegd bij vlooiende apen met hun “lipsmakkende” geluiden en zelfs in de interactie tussen zoemende bijen en bloeiende planten. Onzinnig omdat alleen een “amoeboïde” en incoherente theorie tegelijk ruimte biedt zowel aan verwachte onderzoeksresultaten als aan tegengestelde uitkomsten.

Tegenstrijdige conclusies leiden alleen dan niet tot een inconsistente theorie als er om te beginnen al helemaal geen sprake kan zijn van theorie. En die is er hier ook niet. Maar dit mankement is voor de auteurs niet zozeer een belemmering als wel een kans. De experimentele uitkomst krijgt post-hoc en ad-hoc een eigen interpretatie. In afwachting van een nog te ontwikkelen theorie krijgt zo elk resultaat een eigen duiding die alle schijn van principiële verklaring ontbeert.

Citroenen

Als laatste punt, wat heeft cultureel-variabele taalexpressie te maken met het biologisch-invariante interne taalsysteem anders dan dat laatstgenoemde eerstgenoemde faciliteert? Het stellen van prioriteiten is geen luxe.

Dingemanse heeft gelijk. Er zijn zeer zeker “net zo” belangrijke dingen om je “echt” zorgen over te maken. Zijn hier geciteerde uitspraak is daarom in het beste geval te duiden als het onschuldig vergelijken van appels met peren, en in het meest ongunstige geval als een misplaatste poging appels voor citroenen te verkopen. No, thank you very much.