Het vreemde meisje in Boshuizen (1964)

Jeugdverhalen over joden (3)

Omslag van de eerste druk van Het vreemde meisje in Boshuizen. De ondertitel luidt: ‘Verhaal uit de Tweede Wereldoorlog’. De illustraties – zowel op het omslag als in het binnenwerk – zijn van Jaap Beckman (1914-1992).

In jeugdverhalen over jodenbekering komen geregeld spugende joden voor. Weinig auteurs maakten het zo bont als schoolmeester Lein Janse in Het vreemde meisje in Boshuizen. Saartje Boasson, de hoofdpersoon in dit positief ontvangen onderduikverhaal, begint bij wijze van reflex te spugen zodra zij de naam van de Heiland hoort.

Herkomst en drukgeschiedenis

Lein Janse (1914-1991), de auteur van Het vreemde meisje in Boshuizen, bezocht de Christelijke Kweekschool in Middelburg en was vanaf 1932 onderwijzer te Herkingen, Ederveen, Meeuwen, Uddel, Middelharnis en ’s-Gravenpolder. Hij schreef twee historische romans en ruim tientallen jeugdboeken (zie hier voor een overzicht). Relatief veel succes had hij met een reeks jeugdboeken over de ‘woonwagenjongen’ Sikko. Begin jaren vijftig gaf hij De Kinderkrant uit. Kerkelijk behoorde hij tot de Gereformeerde Gemeenten.

Het vreemde meisje in Boshuizen verscheen bij uitgeverij J. P. van den Tol in Dordrecht en beleefde twee drukken: in 1964 en in 1966. In 1982 werden de laatste exemplaren verramsjt.

Uitgebreide samenvatting

In dit jeugdboek volgen we het leven van Saartje Boasson van haar vijftiende tot haar negentiende. Saartje is enig kind en woont met haar ouders en grootmoeder driehoog achter in de Jodenbreestraat in Amsterdam. Het is oorlog, de Duitsers houden razzia’s en Saartjes ouders hebben besloten om haar te laten onderduiken.

Bij het afscheid geeft Saartjes moeder haar dit advies: ‘Kind, nu zien we elkaar misschien nooit, nooit meer. Maar als dat zo is, zul je dan nooit vergeten dat je een Jodinnetje bent? Zul je dan er aan denken, dat je je nooit met die christenhonden vermengt. Als je de Naam van die Nazarener hoort…….’

Saartjes grootmoeder maakt de zin af: ‘dan spuw je op de vloer net als je opa deed. (…) Want Duitsers en Christenhonden staan voor mij op één lijn.’

Saartje is een ‘rasecht Jodenmeisje’ met zwart haar, donkere ogen en een ‘ietwat kromme neus’.

Zij duikt onder in een deftig grachtenpand, maar een zekere Eli Asser [sic], een vijand van haar vader, stuurt de Duitsers op haar af (‘O, dat Joden dat toch elkaar kunnen aandoen.’) De Duitsers kunnen het ‘Jodenkind’ echter niet vinden.

Op het tweede onderduikadres krijgt Saartje een brief van haar ouders uit Westerbork. Zij schrijven onder meer: ‘Lieve Saar, hou je goed en vergeet niet dat je een Jodinnetje bent. Laat je niet verleiden.’

Een vrachtwagenchauffeur brengt Saartje vervolgens naar het laatste onderduikadres: de boerderij van ‘tante’ Janna en ‘oom’ Dries in het fictieve plaatsje Boshuizen op de Veluwe. Tijdens deze rit blijkt dat Saartje het advies van haar grootmoeder goed in haar oren heeft geknoopt. Zodra de chauffeur zijdelings het woord Heiland gebruikt, briest Saartje: ‘Van Hem wil ik nog minder weten dan van dat Herrenvolk.’ Vervolgens spuugt ze tegen de voorruit.

Aan de keukentafel hebben Janna en Saartje geregeld gesprekken over de Bijbel en het geloof. Saartje zegt onder meer: ‘Er zijn mensen die zeggen, dat wij Joden een apart volk zijn, een volk dat zelf om de straf heeft gevraagd. Dat, wat nu met ons gebeurt, een gevolg is van wat wij eenmaal met de Messias hebben gedaan. Maar daar belief ik niets van te geloven.’

Volgens Janna ligt het anders. ‘De Bijbel heeft het alleen bij het goede eind. En die Bijbel is hard, maar waar, Saartje. (…) Daar lees ik dat de Joden de Heere Jezus hebben gekruisigd.’

Saartje reageert heftig. ‘Praat niet over die Naam, tante Janna. Dan heeft oma mij geleerd dat ik op de grond moest spuwen. Maar uw keuken glimt zo. Was ik buiten, ik deed het vast.’

Bij een later keukentafelgesprek spuugt Saartje ‘per ongeluk op de kachelplaat’. Ze vertelt ook dat haar grootmoeder een bekeerde jodin in haar gezicht heeft gespuugd. Om vervolgens ‘achter een boom op een der Amsterdamse grachten’ de Bijbel te vertrappen.

Saartje woont een paar jaar bij Janna en Dries. Bij een huiszoeking wordt ze bijna gevonden, maar het ‘Joodse troeltje’ (een typering van een NSB’er) weet zich schuil te houden.

Kort na Bevrijdingsdag gaat Saartje terug naar Amsterdam om haar familie te zoeken. Ze zijn allemaal omgekomen in de kampen. Saartje denkt wel veel aan ze ‘maar nog veel meer was ze bezig met de dingen van de Bijbel’.

Terug in Boshuizen maakt Saartje kennis met de verzetsman Kees Pieters, zoon van de plaatselijke dominee. De dominee geeft haar wekelijks catechisatie. Dit tot opluchting van oom Dries, die verzucht: ‘Kind, kind, wat zat je toch verstrikt in die Jodengodsdienst.’

Sara antwoordt: ‘Was ik daar maar helemaal van bevrijd. Mocht ik nu maar geen rust hebben, aleer ik de Heere Jezus tot mijn deel heb.’

Anderhalf jaar later, als Saartje met succes de catechisatie heeft voltooid, trouwt zij met domineeszoon Kees in een overvolle kerk.

Doelgroep en receptie

Uitgeverij Van Tol achtte Het vreemde meisje in Boshuizen eind 1964 geschikt voor meisjes van twaalf tot zestien jaar. Daniël, het Jongerenblad van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten, raadde het in 1965 aan voor ‘dochters uit de hoogste klassen’. In een uitgave van de Ned. Hervormden Zondagsscholenbond werd de herdruk in 1966 aanbevolen ‘voor jongens en meisjes van 14-15 jaar’.

Van Het vreemde meisje in Boshuizen heb ik drie besprekingen gevonden. Een ‘zeer spannend verhaal dat historisch helemaal verantwoord is’, oordeelde het jongerenblad Daniël in 1965. ‘Het is niet makkelijk om kinderen van nu een juiste voorstelling te geven van wat toen zich allemaal heeft afgespeeld. Dit boekje doet het echter zeer aanschouwelijk. Ook de hoofden van de kristelijke scholen, die vaak zoeken moeten naar geschikte uitleenboekjes, zij hierop gewezen. Dit zal ongetwijfeld een zeer dankbaar nummer wezen in de boekerij van elke kristelijke school!’

In 1966 noemde De Saambinder. Kerkelijk orgaan van de Gereformeerde Gemeenten de herdruk ‘goede lektuur voor onze jeugd’.

De herdruk werd in 1966 warm aanbevolen door de Ned. Hervormden Zondagsscholenbond. ‘Een ontroerend verhaal uit de tijd van de jodenjacht uit de jaren 1940-1945. Wat een leed hebben de Nazi’s de Joden en ons volk aangedaan. Toch is menigmaal wonderlijke uitkomst gebleken. Zulke lectuur moet veel gelezen worden.’

In openbare collecties zijn geen exemplaren van Het vreemde meisje in Boshuizen bewaard gebleven. Een digitale versie is te vinden op onvolprezen website achterderug.nl.

Spugende joden

Het beeld van spugende joden gaat overigens terug op het evangelie van Matteüs, waarin wordt beschreven hoe Jezus door joodse priesters en rechters wordt mishandeld: ‘Daarop spuwden ze hem in het gezicht en sloegen hem. Anderen stompten hem’ (Matteüs 26:67).

Mede naar aanleiding van deze Bijbelpassage kent het Nederlands diverse woorden en uitdrukkingen waarin een verband wordt gelegd tussen joden, speeksel en spugen. Zo vermeldde P.J. Harrebomée in 1870 de uitdrukking het is Jodenlak: het houdt niet – waarbij jodenlak een voorloper is van jodenlijm voor ‘speeksel’. Het Limburg’s jaarboek vermeldde in 1910 de zegswijze een Jood spuwt in het aangezicht, het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldde in 1914 de samenstelling spuugjood. In een artikel getiteld ‘De Joden in de Spreekwoordentaal en in den Volkshumor’ vermeldde Jozef Cornelissen in 1923 spuwen gelijk een jood; er heeft een Jood op uw broek gespuwd (‘er is een gat in’) en jodenspouwer (‘scheldnaam dien de kinderen geven aan een kind dat naar hen spuwt’).

In 1926 schreef J. Gompers in De jood in de Nederlandsche volkstaal: ‘Jodenvet is een volksuitdrukking voor “fluimen”, zooals men speeksel Jodenlijm noemt.’ ‘In Den Haag’, vervolgt Gompers, ‘hoorde ik eens de uitdrukking: ik heb een Jood in de keel. Toen ik naar de betekenis hiervan vroeg, bleek mij, dat de spreker leed aan een aandoening zijner keel-slijmvliezen, waardoor hij last had van fluimen.’

Lein Janse (foto uit omstreeks 1980). Met dank aan de nazaten Janse.