Het laatste raadsel

Door Nelleke Noordervliet

We lopen langs de Amstel, weg van de drukke stad. Ik vertel mijn vriend Bredero dat we vierhonderd jaar na zijn dood zijn werk zorgvuldig bestuderen, en dat we proberen aan te tonen in hoeverre zijn gedichten en toneelstukken gebeurtenissen uit zijn eigen leven verbeelden. Sommigen zien daar duidelijke sporen van, anderen menen dat hij buitenlandse voorbeelden navolgt of gebruikt en niet per se reflecteert op eigen vreugde of leed.

‘We weten zo weinig over je,’ zeg ik. ‘In je taal ben je zo nabij en toch ontsnap je ons.’

Hij glimlacht. Zie ik melancholie of ironie? ‘Waarom is het belangrijk iets te weten over mijn leven als de gevoelens worden herkend en gedeeld? Waarom moet iets echt gebeurd zijn?’

‘De innigheid van je poezie uit de latere jaren, ‘Wat dat de wereld is’, ‘Adieu mijn lief, mijn leven’, ‘Oogen vol majesteit’, ‘Aandachtig gebed’, spreekt recht tot het hart. Daar voelen we een man in, jong nog naar huidige begrippen, rond de dertig, die intens heeft geleefd maar nooit de liefde vond en kreeg die het leven werkelijk de moeite waard maakt. Geen Suzanna van Baerle voor jou, geen Christina van Erp, geen Mayken de Wolff. Geen kinderen. Je bleef alleen. Bij je ouders aan de Oudezijds.’

‘En?’

‘Je was een man met een groot hart, een scherp verstand, een vlotte babbel. Daar moeten toch veel leuke vrouwen op af zijn gekomen? Mikte je te hoog? Vonden die vrouwen je te min? Was er zo’n onoverkomelijk standsbesef?’

‘Genoeg kansen, weinig geluk. De liefde is een loterij.’ Hij verhoogt het tempo, alsof hij weg wil lopen van de confrontatie met het gemis in zijn leven.

‘Ze was pittig, je Magdalena Stockmans. Inderdaad mooie ogen en een goed gevoel voor humor.’ Bredero antwoordt niet. Het blauwtje dat hij liep zit hem nog altijd dwars.

‘Er is onlangs een mooie biografie over je geschreven,’ zeg ik, in de hoop op een reactie. ‘Juist omdat we zo weinig van je weten wordt er druk gespeculeerd over belangrijke kwesties.’

‘Zoals?’

‘Je dood.’

‘Die is onmiskenbaar.’

‘De oorzaak is onbekend.’

‘Waarom is het van belang de oorzaak te weten? Ik word er niet minder dood om.’

‘Het was plotseling. Het gebeurde ’s morgens. Men heeft gedacht aan een hartaanval. Maar je biograaf vindt zelfmoord waarschijnlijk. Je was somber, had verdriet om Magdalena, verwaarloosde jezelf misschien, de wereld om je heen was harder geworden, het succes was binnen maar het leven was leeg. En je zou niet de enige zijn in die tijd die aan depressies leed. Vondel, Barlaeus. Ook Hooft raakte in een diepe crisis.’

‘Ik heb wel eens met de gedachte gespeeld. Wie niet? Maar het werkelijk doen? En dan een treurig graf in een verdomhoekje…’

‘We hebben je graf nooit gevonden. Je vader beweert dat je in de Heilige Stede ligt. Lag. Maar dat kan een bewuste leugen zijn. Het is een mysterie.’

‘Wat denk jij dat er is gebeurd?’

‘Ik ken dat huis. Ik heb er gewoond. Steile trappen. Je bent van de trap gevallen. Letterlijk: ’t kan verkeren.’

Hij kijkt me verrast aan, schiet in de lach. ‘Bingo!’ roept hij. Hij maakt een grap. Hij blijft ongrijpbaar. Mijn vriend Bredero.

Dit stuk verscheen eerder op Bredero 2018.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.