Gedicht: Koos Schuur • October

October

De zwanen drijven in zichzelf gekeerd
en de fonteinen hebben ’t lied verleerd,
dat klaterlachte in de zomernachten.

de vogels riepen afscheid en het veld
is weer met ravenhorden overstelpt,
die naast hun somber kleed hun doodszang brachten;

de bomen hebben aan de wisselwind
hun blaadren afgestaan en reeds begint
de goede regen zijn eentonig praten;

de nimfe, die mijn zomerdromen schiep
en blauwe nachten in mijn armen sliep,
heeft mij het park en het paleis gelaten.

O park, zonder bruinrood en zonder bloemen;
paleis, nu nauwlijks nog paleis te noemen;
wel zingen ’s avonds sterren aan mijn raam,

maar ’s nachts roepen de vissen in de vijver
door de slaap van een eenzaam verzenschrijver
met hun nachtelijk visgeluid haar naam.

Koos Schuur (1915-1995)
uit: Windverhaal (1941)

———————————–