Een nieuw stukje in de puzzel van Bredero’s ridder Rodderick

Door Ton Harmsen

Er is nog altijd veel te doen over Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus. De stof van dit treurspel is ontleend aan een hoofdstuk van de ridderroman Palmerijn van Olijve. Willem Kuiper deed de verrassende ontdekking dat deze passage in de Nederlandse roman niet voorkomt in de Franse Palmerin d’Olive, en ook niet in de Spaanse Palmerín de Oliva. Het is dus een inlassing van de Nederlandse vertaler. Onlangs heeft Annemieke Houben de bron ervan heeft gevonden: deze interpolatie is ontleend aan Le quatriesme Livre des Bergeries de Iuliette (1595) van Nicolas de Montreux. Dat was nog eens een speld in een hooiberg.

Zo viel een groot puzzelstuk op zijn plaats. Maar aan deze hoek van de Rodderickpuzzel  ontbrak nog een venijnig stukje waar neerlandici van ergernis knarsetandend hun nagels voor hebben stukgebeten. Van deze Palmerijn van Olijve hebben we een editie uit 1613 en Bredero’s spel is verschenen in 1616. Op de titelpagina van het boek staat echter ‘Eerst ghespeelt op de Amsterdamsche Kamer, in’t Jaar 1611.’ Dus de oudst bekende editie van de Palmerijnroman was nog niet gedrukt toen Bredero de tekst bewerkte… Laurens van den Bergh vermeldt in zijn Nederlandsche Volksromans (1837) een editie van 1602, die hij kent van ‘de’ catalogus van de Jezuïeten in Anwerpen. Meer dan honderdtachtig jaar was er geen exemplaar van die uitgave bekend. Naar aanleiding van het artikel van Houben keek ik in de STCN, et voilà!

De STCN kent er een exemplaar van in de British Library. Ik mailde Chris Joby. Chris schreef terug dat hij op 3 september in Londen zou zijn. In de ochtend van  3 september kreeg ik een e-mail met 25 foto’s. Wij waren de eersten in 181 jaar die de tekst konden lezen in een editie die beschikbaar was toen Bredero zijn Rodd’rick schreef. Het wonder waar ik op gehoopt had, een handtekening van Bredero op de titelpagina, bleef uit. Maar ik heb de foto’s onmiddellijk met argusogen bekeken.

De eerste druk (net zoals de tweede bij Jan Janszen in Arnhem gedrukt; in 1602 door Jan Janszen Sr. en in 1613 door Jan Janszen Jr.) wijkt niet substantieel van de tweede af. Ik heb foto’s van het Londense exemplaar van de eerste druk en het Leidse van de tweede op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden gezet, zodat de teksten gemakkelijk naast elkaar gelezen kunnen worden. Andere spelling, andere voornaamwoorden, maar daar blijft het bij. De meest opvallende, storende zetfout in de tweede druk, ‘Grestes’ voor ‘Orestes’, blijkt in de eerst druk niet aanwezig te zijn. Want zo luidt de tekst die wij al kenden:

Ende om datse nabueren waren, bemindense den anderen met een ghelijcke natuere ende een selfste ongheveynstheydt van vrientschap, als Pilades ende Grestes, in sulcker manieren, dat heur docht duysent verdrietige ende droevighe Jaeren, den dach in den welcken haer belet worde de geneuchelicke hanteeringhe van haerer beyder presentie. (Palmerijn van Olijve, 1613, fol. 155r)

In deze zin is er maar één letter verschil: in 1602 heet de vriend van Pylades correct Orestes. De zetfout in de herdruk lijkt mij een typische distributiefout: er is per ongeluk een grote G in het letterbakje van de kapitale O terechtgekomen. Bredero maakt in zijn toneelstuk geen gebruik van de vergelijking van Rodderick en Alphonsus met Orestes en Pylades, maar Karel Quina, Bredero’s kameraad en correspondent, deed dat wel. Quina schreef een sonnet dat voorin Rodd’rick ende Alphonsus staat afgedrukt. Het is een rijk gedicht, vol vergelijkingen van klassieke vriendschappen met die van Rodderick en Alphonsus, en met een ijzersterk aforisme in de slotverzen:

.                                Klinck-dicht.

.        Den waren Vrunt bemint zijn Vrundt als hy in leet,, is,
.              Soo wel als in voorspoet, met hulpe, daadt en raadt,
.              Ghelijck als voortijdts d’een Orestus ende Pilaat;
.        Theseus en Pirithous; Herkles en Philoctetis.

.        De Vruntschap die Achilles aan Paetrocles deed’,, is
.              Niet min als Scipions en Lelius trouwe daadt:
.              Of die Damon bewees aan Pythias zijn maat:
.        Als oock Epaminonds en Pelopidas meed’,, is.

.              Doch boven alle dees de Vrundtschap hooghe sweeft
.              In Alphons en Rodrieg’, soo ons te kennen gheeft
.        Brerood’ in vreughdigh dicht, ghemenght met daden druckigh.

.              Maar laas! heel anders is d’Eeuw diemen nu beleeft:
.              Want hy wel g’luckigh is die vele Vrunden heeft.
.        Maar diese heeft van doen, die is seer ongheluckigh.
.                                                                Qui-na Dieu, na rien.

‘Orestus en Pilaat’ is een wonderlijke spelling voor Orestes en Pylades. Pilaat doet aan Pontius denken, maar die had geen vrienden. Het voorbeeld is wel perfect gekozen: het is sinds Sophocles’ Electra zo ongeveer de meest klassieke vriendschap uit de Griekse literatuur. Pilades is een onvoorwaardelijke steun voor Orestes als die zich gaat wreken op zijn moeder Clytaemnestra, die zijn vader Agamemnon vermoord heeft. Quina kan dit natuurlijk zelf bedacht hebben, maar het is heel goed denkbaar dat de tekst in de Palmerijnroman hem dit voorbeeld heeft ingegeven. Ook het vriendenpaar Theseus en Pirithous is goed met Rodd’rick en Alphonsus te vergelijken; zij zijn rivalen in hun liefde voor de Spartaanse prinses Helena. Het derde duo, Hercules en Philoctetes, is daarentegen een misplaatst voorbeeld van vriendschap: ook zij zijn onderwerp van een tragedie van Sophocles maar hun onderlinge relatie was van meet af aan argwanend en vijandig. Op aandringen van Odysseus was Philoctetes op Lemnos achtergelaten toen hij op weg naar Troje een wond aan zijn voet had; maar in het spel van Sophocles moet Odysseus de boog van Philoctetes te pakken krijgen omdat alleen daarmee de Trojaanse oorlog gewonnen kan worden. Achilles en Patroclus zijn weer een modelvoorbeeld van vrienden: de dood van Patroclus, eigenlijk Achilles’ schuld, is te vergelijken met de dood van Alphonsus in het stuk van Bredero. Natuurlijk met het grote verschil dat bij Achilles na de dood van zijn vriend het verstand terugkeert, terwijl Rodderick in een hysterische wanhoop gedompeld wordt. Dan heeft Quina nog drie vriendschappen voor ons: Scipio en Laelius die samen tegen de Carthagers vochten in de Tweede Punische oorlog; Damon en Pythias, een vriendschap met doodsverachting die door Dionysius van Siracuse (ook iemand die geen vrienden had) beloond wordt, en tenslotte de Thebaanse krijgsmakkers Epaminondas en Pelopidas. Demonstreert deze exuberante opsomming Quina’s encyclopedische kennis? Of is die kennis opgediept uit een naslagwerk?

Bredero schreef in 1611 aan Karel Quina een brief over vriendschap, boordevol bijbelcitaten en feiten over Griekse filosofen. Heel lang heeft dit vertoon van geleerdheid de onderzoekers geïntrigeerd, totdat Jeroen Jansen het Franse schoolboekje ontdekte waar Bredero deze kennis vandaan haalde, een tekst van Corrozet die ook enkele malen met een Nederlandse parallelvertaling is uitgegeven. Een dergelijke brief schrijf je alleen maar aan iemand die de lol ervan kan begrijpen, iemand die ingewijd is in de materie. Het lijkt mij daarom evident dat Bredero en Quina samen avec plaisir hun kints-School-frans hebben zitten oppoetsen. Karel Quina zal voor zijn sonnet misschien een soortgelijke bron gehanteerd hebben.

Quina had ook Gerbrand Adriaensz en zichzelf als ideaal vriendenpaar kunnen noemen, maar een sonnet heeft nu eenmaal niet meer dan veertien regels.

 

De Palmerijntekst is te lezen bij Kuiper en bij Kruyskamp. Foto’s ervan staan op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden: 1602 en 1613. De eerste druk van Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus (1616) is uitgegeven bij Ceneton.