Transgender is helemaal geen bijvoeglijk naamwoord

Door Henk Wolf

Via een linkje in Taalpost van het Genootschap Onze Taal belandde ik laatst bij een artikeltje met de titel ‘Transvrouwen bestaan niet, trans vrouwen wel‘. Het ging over de spelling van ‘transvrouwen’, met of zonder spatie. De schrijfster van het artikel, Olave Nduwanje, gebruikt wel een spatie. Ze pleit daarbij niet voor spellingrebellie, maar motiveert haar keuze met een taalkundige analyse. Ze schrijft: ‘Transgender (oftewel trans) is namelijk […] een bijvoeglijk naamwoord’.

Als dat waar zou zijn, dan had ze natuurlijk gelijk: dan was in de officiële Nederlandse spelling de correcte schrijfwijze ‘trans vrouwen’ geweest, zoals we ook ‘dikke vrouwen’ en ‘slimme vrouwen’ met een spatie erin schrijven.

Alleen deugt de analyse niet. Transgender en trans zijn geen bijvoeglijke naamwoorden. Dat kun je vrij makkelijk laten zien.

Geen buigings-e

Een eerste aanwijzing vinden we in de vorm van het woord. In ‘een dikke vrouw’ en ‘een slimme vrouw’ krijgen de bijvoeglijke naamwoorden ‘dik’ en ‘slim’ een buigings-e. Bij ‘een transe vrouw’ en ‘een transgendere vrouw’ is dat niet mogelijk. Als trans en transgender bijvoeglijke naamwoorden zouden zijn, dan waren het vreemde bijvoeglijke naamwoorden.

Nou bestaan er wel bijvoeglijke naamwoorden die nooit een buigings-e krijgen. Dat zijn bijvoorbeeld plastic, open en belegen (‘een plastice pop’, ‘een opene deur’ en ‘een belegene kaas’ kunnen allemaal niet). Die woorden zijn beperkt tot een aantal categorieën, maar goed, ze bestaan, dus we moeten er rekening mee houden dat trans en transgender ook zulke gekke bijvoeglijke naamwoorden kunnen zijn.

Klemtoon

Doorslaggevender is de plaats van de klemtoon. In een samengesteld woord ligt die als regel vooraan, in een combinatie van bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord juist achteraan. Dat geldt niet als je een contrastaccent aanbrengt, maar wel bij een neutrale intonatie. Als voorbeeld: Nederlandstaligen zeggen in neutrale contexten ‘een buurvrouw’ en ‘een dikke vrouw‘. trans en transgender gedragen zich zoals ‘buur-‘, niet zoals ‘dikke’. We zeggen immers ‘een transvrouw’ en ‘een transgendervrouw’ zeggen, is er een sterke aanwijzing voor dat trans en transgender geen bijvoeglijke naamwoorden zijn.

Er kan niks tussen staan

Een derde aanwijzing dat de schrijfster het bij het verkeerde eind heeft, is dat je tussen trans(gender) en vrouwen geen andere woorden kunt plaatsen. Dat is precies wat je verwacht, als die twee een samengesteld woord vormen. Zouden ze twee aparte woorden zijn, dan zou je verwachten dat je zoiets kon zeggen als ‘een transgender dikke vrouw’, ‘een transgender slimme vrouw’. Dat klinkt in mijn oren allemaal erg slecht.

Nou zijn er wel bijvoeglijke naamwoorden die direct voor het zelfstandig naamwoord willen staan, zoals houten (‘een houten grote deur’ wil ook niet). In principe kun je er rekening mee houden dat transgender eventueel zo’n soort bijvoeglijk naamwoord zou kunnen zijn. Waarschijnlijk is dat niet, want zulke bijvoeglijke naamwoorden zijn doorgaans beperkt tot specifieke groepen (zoals stofnamen).

Van de bijzondere eigenschap van houten kun je wel gebruik maken om te laten zien dat transgender geen apart bijvoeglijk naamwoord is: dat je wel ‘een houten transgenderpoppetje’ kunt zeggen en niet ‘een transgender houten poppetje’, laat zien dat transgenderpoppetje één woord is.

Geen bijwoord

De sterkste aanwijzing is de manier waarop je de betekenis van trans(gender) nader kunt bepalen. Als dat een bijvoeglijk naamwoord was, dan zou je dat met een bijwoord of een bijwoordelijke bepaling moeten kunnen doen, zoals in ‘een sinds jaar en dag dikke vrouw’ of ‘een duidelijk slimme vrouw’. Maar ‘een sinds jaar en dag transgender vrouw’ of ‘een duidelijk trans vrouw’ klinkt, in elk geval voor mij, erg vreemd. Dat ligt niet aan de combinatie van woorden, want je kunt in plaats van het bijwoord duidelijk wel het bijvoeglijk naamwoord duidelijke (met buigings-e) gebruiken om transgender nader te bepalen, zoals in ‘een duidelijke transvrouw’.

Wat is het dan wel?

Als transgender en trans geen bijvoeglijke naamwoorden zijn, wat zijn ze dan wel? In ‘een transgendervrouw’ en ‘een transman’ zijn ze in elk geval deel van een samengesteld woord. De vraag is alleen hoe die woorden zijn samengesteld. Bestaan ze uit een voorvoegsel en een zelfstandig naamwoord (zoals ‘een rotvrouw’, ‘een vice-voorzitter’) of uit twee zelfstandige naamwoorden (zoals in ‘een christenvrouw’, ‘een stichtingsvoorzitter’)? Dat je zowel ‘de buurman is (een) christen’ als ‘de buurman is (een) transgender’ kunt zeggen, wijst erop dat vermoedelijk het laatste het geval is.

Taal als instrument

Olave Nduwanje schrijft wel over taalstructuur, maar taalstructuur is bij haar een instrument om de publieke opinie te beïnvloeden. Ze gaat ervan uit dat de manier waarop iets gezegd wordt bepalend is voor het wereldbeeld van de luisteraar. Zo schrijft ze: “De taalkundige versmelting van het bijvoeglijk naamwoord met het onderwerp, namelijk de groep of het individu, reduceert deze tot enkel het bijvoeglijk naamwoord: het onderwerp wórdt zijn eigenschap of kenmerk.”

Dat moest ik een paar keer lezen, want de termen ‘bijvoeglijk naamwoord’ en ‘onderwerp’ worden er op een ongewone manier gebruikt, maar volgens mij bedoelt de schrijfster dat samengestelde woorden zoals ‘transvrouw’ de nadruk leggen op trans en dat zou ongewenst zijn, omdat de aandacht daardoor van het menselijke wordt afgeleid. Dat is een redenatie die ik, als ik denk aan onomstreden samenstellingen als buurvrouw, scheepsjongen, bruidsmeisje en brandweerman niet verschrikkelijk overtuigend vind.

Het noemen van de mens

Wel sluit de redenatie nauw aan bij een andere moderne prescriptieve beweging, die bezwaar maakt tegen zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden zoals blinden, gehandicapten, allochtonen. Het bezwaar is dat die eigenschappen zouden uitlichten, terwijl die in de gepresenteerde alternatieven ‘blinde mensen’ of ‘mensen met een handicap (of een migratieachtergrond)’ het menselijke wordt genoemd en de eigenschappen op de achtergrond zouden staan, wat sympathieker over zou komen. In hetzelfde artikeltje pleit de schrijfster ook voor ‘man/vrouw met een transitiegeschiedenis’, dat daar naadloos bij aansluit.

Of er aanwijzingen voor zijn dat woordgroepen met zelfstandige naamwoorden zoals mensen, man of vrouw erin meer sympathie opwekken dan samenstellingen en zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, vraag ik me af. Ik vermoed eerder dat we hier in de tredmolen der eufemismen zitten, waarbij emotioneel geladen of sociaal beladen termen voortdurend door andere worden vervangen. Ik houd me echter aanbevolen voor verwijzingen naar dingen die ik niet weet.

Twee transe vrouwen, een transgendere man

Olave Nduwanje is ervan overtuigd dat de wereld er beter van wordt als ‘trans vrouwen’ en ‘transgender vrouwen’ met een spatie worden geschreven. Omdat samenstellingen, in afwijking van de officiële spelling, in de schrijfpraktijk toch al vaak een spatie krijgen, lijkt het me dat daar weinig praktische bezwaren tegen zijn. Bijvoeglijke naamwoorden zijn trans en transgender echter niet. Wie zich wel aan de officiële spellingsregels houdt, schrijft ‘transvrouwen’ en ‘transgendervrouwen’ zonder spatie.

Dat wil niet zeggen dat trans en transgender geen bijvoeglijke naamwoorden kunnen worden. Mevrouw Nduwanje kan er best mee beginnen om ze als zodanig te gebruiken. Ze hoeft ze alleen maar een buigings-e te geven op de plaatsen waar dik en slim die ook krijgen: ‘twee transe vrouwen’, ‘een transgendere man’. De juiste intonatie en de andere eigenschappen van bijvoeglijke naamwoorden komen dan vanzelf mee. Als ze zulke formuleringen maar vaak genoeg gebruikt, is er best kans dat de rest van de taalgemeenschap volgt. Bijvoeglijke naamwoorden vormen namelijk een open klasse: er kunnen heel makkelijk nieuwe woorden aan worden toegevoegd.