Poëtisch naturalisme

Door Marc van Oostendorp

Hoe het met jullie is, weet ik niet, maar boeken die Het Grote Plaatje heten, kan ik niet laten liggen, vooral als de ondertitel dan ook nog belooft dat het boek gaat over de ‘oorsprong van het leven, van betekenis en van het universum zelf’.

Want dat wetenschappers belachelijk weinig aan het grote plaatje toekomen, dat is duidelijk. Er wordt heel wat afgepriegeld in de laboratoria en achter de leestafels van de geleerde wereld. Dit artikel moet nog echt even worden aangepast aan de eisen van de reviewers om meer verwijzingen naar literatuur; daar moet iemand een keynote voorbereiden voor een internationaal congres; en hier probeert iemand dagenlang met veel geduld te achterhalen hoe het precies zat met de correspondentie van Agatha Deken.

En ondertussen schrijft bijna niemand ooit een boek over hoe het grote plaatje precies in elkaar zit. Wat weten we nu eigenlijk van de wereld.

Compatibel

De natuurkundige Sean Carroll die The Big Picture schreef moet een behoorlijk eigengereide kerel zijn, een soort Harry Mulisch van de wetenschapscommunicatie. In een interview lees ik dat hij al antwoord op de vraag wat hij nu eigenlijk hoopte te bereiken met dit boek antwoordde: “dat het naast de Gideon’s bijbel in iedere hotelkamer komt te liggen”. En hij deinst er ook niet voor terug zijn eigen levensbeschouwing een naam te geven: poëtisch naturalisme. 

Naturalisme is de overtuiging dat de wereld alleen bestaat uit door natuurwetenschappen vaststelbare deeltjes, velden en krachten, en dergelijke. Alles wat er is en alles wat gebeurt kan in theorie in natuurkundige termen beschreven worden, al kan die beschrijving voor sommige fenomenen (bijvoorbeeld om te beschrijven hoe ik deze letters zit te tikken met mijn warme laptop op schoot) vreselijk ingewikkeld worden. Die visie is niet door Carroll bedacht, al legt hij hem met verve uit.

Het poëtische zit hem erin dat je erkent dat de wereld op heel veel verschillende niveaus beschreven kan worden. De zin ‘ik zit deze letters te tikken met mijn warme laptop op schoot’ is volgens het poëtisch naturalisme niet incorrect, al komt er geen quark in voor. Er zijn heel veel verschillende ‘verhalen’ over de wereld te vertellen, en die zijn allemaal juist. Het is daarvoor niet eens nodig dat je een volledige reductie geeft (dat wil zeggen een beschrijving van wat de woorden ik, zit, enz. dan allemaal precies betekenen in termen van configuraties van elementaire deeltjes), maar wel dat die verhalen compatibel zijn met elkaar.

Poëtisch naturalisme is, met andere woorden, het postmodernisme gezien door een theoretisch natuurkundige: ja, de wereld bestaat uit verhalen, maar dat zijn wel verhalen die uiteindelijk compatibel zijn met elkaar.

Plausibel

En omdat het standaardmodel van de deeltjesfysica zo knap in elkaar zit, en voorspellingen doet die ieder voor zich tot op vele cijfers na de komma nauwkeurig uitkomen, en dat model dus een beschrijving geeft op een bepaald niveau van de werkelijkheid dat helemaal lijkt te kloppen, lijkt Carroll dat zo’n beetje als de gouden standaard te zien.

Je mag best over het Leven, over Betekenis en over het Universum praten: daar zijn allemaal verhalen over te vertellen. Zolang je verhaal over de zin van het leven maar niet incompatibel is met het standaardmodel.

Dat lijkt me allemaal heel redelijk. Het is plausibel dat de werkelijkheid één geheel vormt, en dus dat er niet in de ene hoek van onze werkelijkheid dingen gebeuren die niets te maken hebben met wat er elders allemaal aan de hand is. Dat er uiteindelijk een plausibele verklaring moet zijn voor alles, ook als wij mensen te dom blijken te zijn om het allemaal te snappen.

Donkere materie

Tegelijkertijd vereist het natuurlijk wel een geloofsdaad om te veronderstellen dat er uiteindelijk ook een natuurkundige beschrijving is die correspondeert met zelfs een eenvoudige geesteswetenschappelijke bevinding als ‘in een Nederlandse hoofdzin staat het verbogen werkwoord op de eerste of de tweede plaats’.

Ik ben geloof ik best tot die geloofsdaad in staat, en zou me in veel opzichten ook wel een poëtisch naturalist willen noemen, maar op dit soort punten zou Carroll wel iets duidelijker kunnen zijn.  Je krijgt de indruk dat hij daarvoor misschien te veel in een erg Amerikaanse strijd tussen wetenschap en godsdienst verwikkeld is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop hij met het verschil tussen lichaam en geest en met de vrije wil omgaat.

Gebogen vorken

De menselijke geest behandelt hij heel eigenaardig. Hij wijst er een aantal keer op dat we met onze geest geen vorken kunnen buigen: als we dat wel zouden kunnen, zou het krachtenveld dat we met onze geest konden oproepen allang gemeten moeten zijn. En het past niet in ons standaardmodel. Nu vallen daar al een aantal dingen op aan te merken: ook natuurkundigen weten dat er dingen bestaan die niet in het standaardmodel passen (donkere materie, donkere energie), en een beter bewijs tegen het buigen van vorken lijkt mij dan ook dat het fenomeen zelf nooit is geobserveerd.

Carroll wijst er bovendien regelmatig op dat de menselijke geest uiteindelijk natuurlijk aan de wetten van het standaardmodel moeten voldoen, omdat dit immers alle aspecten van ons dagelijks leven verklaart. Dat is wel een heel stellige verklaring. Het is duidelijk dat het standaardmodel van de natuurkunde verbluffend precieze voorspellingen doet over de uitkomst van ieder experiment waaraan het is onderworpen. Maar dat is nog iets anders dat het ons ‘dagelijks leven’ verklaart, en met name is nu juist precies de menselijke geest nooit aan zulke experimenten onderworpen.

(Je kunt trouwens met de menselijke geest best vorken buigen. Hier is het experiment dat dit aantoont. Zet een proefpersoon in een laboratorium op 3 meter afstand van een vork. Zeg tegen de proefpersoon dat hij de vork moet buigen. Hij loopt dan vermoedelijk naar de vork en buigt hem. Dat hij dit gaat doen, dankt hij aan de menselijke geest: het was jou als experimentator nooit gelukt om de vork te buigen als de proefpersoon geen geest had gehad. De niet in het standaardmodel opgenomen kracht heet taal.)

Luttele millennia

Bovendien springt Carroll vervolgens wel heel gemakkelijk over van die gebogen vorken naar het verwerpen van de dualiteit van lichaam en geest en van de vrije wil. We kunnen best doen alsof we een vrije wil hebben (we zijn immers poëten), maar op het niveau van de elementaire deeltjes is dat uiteindelijk toch niet zo. Dat we nog heel wat problemen hebben op te lossen voor we kunnen begrijpen hoe uit de materie zoiets als de menselijke geest (of de illusie van de menselijke geest), laat staan een vrije wil (of de illusie van een vrije wil) komt opduiken, laat Carroll dan maar buiten beschouwing.

Nog curieuzer wordt het als hij vervolgens geen enkel geduld met godsdienst lijkt te hebben. Natuurlijk, fundamentalistisch geloof dat de aarde in zes dagen geschapen is, enz., is moeilijk in overeenstemming te brengen met het beschikbare wetenschappelijke bewijs, maar ik zie niet in hoe je kunt zeggen dat het verhaal dat we een vrije wil hebben wél bij het poëtisch naturalisme past en het verhaal dat Mozes een verbond met de Heer heeft gesloten, niet.

Maar afgezien van dat soort details is The Big Picture een indrukwekkend boek omdat het laat zien hoe wonderlijk onze werkelijkheid is, dat er wezens in rondlopen die eigenlijk best veel van die werkelijkheid lijken te snappen en er in de loop van luttele millennia allerlei theorieën over blijken te hebben opgesteld die heel aardig blijken te kloppen.

Nu dat verbogen werkwoord nog.

Sean Carroll. The Big Picture. On the Origins of Life, Meaning, and the Universe Itself. London: Penguin, 2016. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Poëtisch naturalisme

  1. Rob Duijf schreef:

    Ik heb ‘The Big Picture. On the Origins of Life, Meaning, and the Universe Itself’, van Sean Carroll niet gelezen en ik vraag me af of ik dat op grond van jouw beschrijving ooit ga doen.

    Het lijkt wellicht een mooie gedachte dat het Leven (ik maak er maar even een hoofdletterwoord van, er zijn meer van die woorden…) in een natuurkundige formule te vatten zou zijn. Maar kan dat wel? Daar heb ik zo mijn twijfels over. Ook de Britse fysicus, wiskundige en kosmoloog Steven Hawking – toch niet het minste geringste brein – was er van overtuigd dat er een ‘alomvattende theorie van alles’ moet zijn.

    Het denken kan beschrijven in termen van het bekende. Over het onbekende kan het denken niets zeggen, hoogstens beweren. Het denken is een instrument dat in zichzelf beperkt is. Het is gebonden aan de wetten van de driedimensionale ruimte + tijd. Daarmee kan het denken welliswaar zijn grenzen verleggen, maar nooit buiten zijn eigen begrensdheid treden. Oneindigheid kunnen we hoogstens wiskundig benaderen (♾).

    Een eindig instrument kan dus geen oneindigheid meten, net zo min als we in staat zijn de oceaan in een emmertje te scheppen. Toch doen we dat wel. Dan plakken we er een sticker op met de tekst ‘Enig Levend Water’ en we schoppen andere emmertjes met vergelijkbare teksten om. Maar het water leeft niet en als we het emmertje een tijdje laten staan, wordt het een stinkende drab… Dat is precies wat er gebeurt in de wereld.

    Ik denk, dat we al die claims met een korreltje zout mogen nemen. Gelukkig maar, dan blijft er altijd iets over om nog te ontdekken. Stel je voor dat we alles zouden weten, zeg. Saai…

  2. Jaap van den Born schreef:

    ‘Het fenomeen is nooit geobserveerd’ Het moet een klap voor Uri Gellers ijdelheid zijn dat hij nu al vergeten is met zijn opzienbarende oplichterij.

    • Rob Duijf schreef:

      Inderdaad! Uri kon lepels en vorken buigen die hij tussen zijn vingers hield. Dat is nog iets anders dan kromme lepeltjes in mijn opoes theelepeldoosje, die tot op de dag van vandaag overigens nog even recht hervormd zijn.

      Maar Uri kon nog meer! Uw klokken en horloges gingen spontaan weer tikken na jaaaaaren stil te hebben gestaan. (Ze stopten er daarna ook weer vanzelf mee…).
      Uri schijnt ook een UFO te hebben gefotografeerd. Die zou hij zelf hebben geïdentificeerd als ‘vliegende schotel’…

      Dat was wat, in de jaren zeventig. Henk van der Meijden, entertainment spinner van de Telegraaf, spon goudgaren met onze goedgelovigheid in die jaren. Kan zo maar weer gebeuren, hoor. De meeste mensen denken niet na, die papegaaien wat ze krijgen voorgekauwd.

Laat een reactie achter