Hugo Verdaasdonk: spelbreker en vernieuwer

Herinneringen aan de meedogenloze methodologenstrijd aan de Amsterdamse universiteit

Door Marita Mathijsen

Hugo Verdaasdonk (1945-2007)

Het laatste nummer van TNTL is helemaal gewijd aan de toekomst van de Neerlandistiek. Het openingsartikel van Lotte Jensen en Rick Honings gaat over drie historische crisismomenten in de Neerlandistiek. Jensen en Honings laten het eerste crisismoment beginnen bij een artikel van Marijke Spies dat in de Spektator van mei 1974 verscheen. Spies schreef over het ontbreken van methodologische grondslagen aan de literatuurbeoefening en over het gebrek aan discussie daarover.

Spies’ artikel heeft echter naar mijn waarneming minder invloed gehad dan de artikelen van Hugo Verdaasdonk, die in de eerste en tweede jaargang van De Revisor (1974-1975) verschenen. Bij het afscheid van Ton Anbeek als hoogleraar aan de Leidse universiteit in 2005 heb ik een redevoering gehouden over de veranderingen in de academische Neerlandistiek in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Mijn optiek was vanuit Amsterdam bepaald, maar kan naar de hele academie getrokken worden, want de vernieuwingen, inclusief die van Spies, kwamen daarvandaan. Ik geef hieronder een verkorte versie van mijn toespraak indertijd, die dus het verleden van de Amsterdamse Neerlandistiek schetst, voor zover ik dat zelf heb meegemaakt.

De Amsterdamse Neerlandistiek

Rond 1960 was er nog niet veel aan de hand bij de Amsterdamse Neerlandistiek. Het was er zoals het er al vele jaren was: een piepklein instituut in een steeg in de Nes, met één kenau op de administratie die machtiger was dan de twee hoogleraren samen die elkaar negeerden. Professor Stuiveling gaf taalkunde- en letterkundecolleges beide, en historische en moderne letterkunde ook allebei. Professor Hellinga gaf waar hij zin in had, en dat was meestal filologie van de middeleeuwen. Maar hij begeleidde ook wel eens een werkgroep over het Oera Lindaboek, of taalkundige colleges. Beiden waren voortreffelijk in hun vak, de een als literairhistoricus, de ander als filoloog.

Dan waren er nog enkele docenten, zoals de taalkundige Wouter Voskuilen die poëziecolleges gaf waarin hij zeker de helft van de tijd weemoedig uit het raam staarde. Of de ‘kleine mens’ Hanneke Domisse, die op haar kinderfietsje naar het instituut kwam, met haar dikke beentjes moeizaam het podium opklom en vervolgens uitdagende colleges gaf waarin je geen kans kreeg een moment af te dwalen. Onvergetelijk was Enno Endt, die in de trui van Herman Gorter over Gorter college gaf, en op de lessenaar sprong als hij wilde demonstreren hoe in zijn poëzie de zon eensklaps boven de horizon opsteeg.

De studenten, veel waren er niet, zaten braaf in de banken, in een rij opgesteld, netjes te wachten tot het college zou beginnen, ze klikten niet met multomappen, openden geen laptops, hadden geen telefoontjes en geen waterflesjes. Het studiemateriaal bestond nog gewoon uit boeken. Nadat je vier jaar had gestudeerd hoefde je geen collegegeld meer te betalen. Dus waren er heel veel dertigers onder de studenten. Alle studenten hadden een abonnement op De Nieuwe Taalgids, want dat was verplicht. De docenten publiceerden nog niet veel. Eén artikel in een jaar of drie was al heel wat. Gepromoveerd waren ze meestal nog niet, want daar deed je vooral heel lang over. Promoveren voor je vijftigste was stoutmoedig. Het vak was hetzelfde als het al enige tientallen jaren was. De letterkundigen waren ook taalkundigen, en ze bestudeerden de vaste canon van de literatuurgeschiedenis en ze publiceerden, als ze al publiceerden, in De Nieuwe Taalgids, of, maar dan was je heel hoog, in het Leids Tijdschrift.

Die bladstilte zou niet lang meer duren. Dan doel ik niet op de oprichting van Merlyn, dat een grote stimulans betekend heeft voor de neerlandistiek. De methode van de Merlynisten is minder vernieuwend geweest dan lang aangenomen is. Het was eerder een training dan een methode.

De geboortegolf en de revolutie

Grotere vernieuwingen kwamen er wel aan. Het kleine aantal studenten groeide explosief. De geboortegolf van 1946 ging massaal Nederlands in Amsterdam studeren, wat nog bevorderd werd doordat de universiteit de M.O.-opleiding voor leraren geïntegreerd had in de universitaire, waardoor ook afgestudeerde hbs-leerlingen naar de universiteit konden. En met de schaalvergroting veranderden meer dingen. Er vond een verhuizing plaats vanuit het minimale pand in de Nes naar een royaal pand aan de Herengracht, het zogenaamde Lambert ten Kate huis, waar een uitgebreide bibliotheek kwam, waar roken en eten niet verboden was. Ook stond daar een prachtig stencilapparaat, het democratiseringssymbool van de jaren zestig.

Het pand aan de Herengracht zou weldra opnieuw uitbreiding nodig hebben, en daartoe werd een pand aan de Keizersgracht, precies op dezelfde hoogte gekocht, zodat de tuinen aan elkaar grensden en er door de tuin van de ene naar de andere collegezaal gelopen werd. Colleges vonden voortaan bij goed weer in de tuin plaats. De studenten werden al minder braaf. Vanwege de explosieve groei kwamen er ook nieuwe jonge docenten die de oude boel wel eens wilden opschudden. Dat ging samen met een revolutionaire vakverschuiving in de taalwetenschap: die van de generatieve grammatica en Noam Chomsky.

Bij de taalkunde ligt de kern van de eerste grote wetenschappelijke veranderingen. De paradigmatische verandering die daar plaatsvond, de ruzies die de invoer van de generatieve grammatica binnen de taalkunde tot gevolg had, en de overwinning ervan, liepen parallel met de grote veranderingen in de Amsterdamse Neerlandistiek, en deze liepen weer parallel met de maatschappelijke veranderingen. De omwenteling was bij de taalkunde buitengewoon fel geweest, maar geïnitieerd vanuit de wetenschap. Nu begon ook de letterkunde te borrelen, en hier was het verzet vooral tegen de didactiek van de colleges gericht, en tegen het canonieke van de inhoud. Het initiatief daar kwam van de studenten, en niet van de docenten. Ze volgden massale hoorcolleges van professor Stuiveling in de Lutherse kerk, waar ze verplicht aanwezig moesten zijn, alle eerste- en ouderejaars bij elkaar. Daarnaast waren er kleinere jaargroepen die strikt klassikaal begeleid werden in vaste programma’s.

Deze onderwijsstructuur was in de tijd van het studentenprotest niet meer vol te houden. De studenten Neerlandistiek vormden een flink deel van de bezetters van het Maagdenhuis. Die werd dan ook gevolgd door enige bezettingen van het Instituut voor Neerlandistiek. In grote raden wierpen de studenten de docenten voor de voeten dat er een gebrek was aan actieve inbreng, dat de literatuuropvattingen verouderd waren, dat elke tekst literatuur was en dat de hoorcolleges en literatuurlijsten ondemocratisch en elitair waren. Het verzet kwam niet alleen van de studenten zelf, ook de jonge docenten wilden plaats voor nieuwe ontwikkelingen en voor andere werkvormen. De werkgroep werd ingesteld, het werkgroepsverslag, de groepsevaluatie en het collectief eindcijfer. De stencilmachine stond roodgloeiend. Natuurlijk werd die bediend door de studenten zelf, want in de toenemende identificatie met de arbeiders hoorde het niet om portiers voor jou te laten draaien.

Wat het vak zelf betreft was er al enige verandering gaande. Merlynistische methoden waren al vanaf de oprichting van het tijdschrift doorgedrongen aan de Universiteit van Amsterdam. Enno Endt, Jan Fontijn en Willem Wilmink, docenten van het Instituut, droegen eraan bij, en in de colleges stonden de analyses van Merlyn centraal. Bovendien kan men de filologie, zoals Hellinga en de zijnen beoefenden, zien als broer of zus van de Merlynistische methode. Weliswaar hadden zij de context hoog in het vaandel staan, maar in principe was ook bij de Amsterdamse filologen het precies en doordringend lezen het uitgangspunt. Daarnaast was er onder de modern letterkundigen veel aandacht voor verteltechnieken, juist toen er wat structuralistische studies over verteltechniek vanuit Rusland in het westen begonnen door te dringen. Vladimir Propp en zijn analyse van het sprookje raakten bekend.

Vanuit de taalkundigen kwam het initiatief om een nieuw vakblad op te richten, speciaal voor de Amsterdamse Neerlandistiek, Spektator. De Chomskyanen kregen namelijk niet de kans om te publiceren in De Nieuwe Taalgids, dus creëerden ze hun eigen periodiek. Daarbij sloten de letterkundigen zich aan, met artikelen die getuigden van een brede aandacht voor wat literatuur was. Triviale literatuur bijvoorbeeld moest ook bestudeerd kunnen worden.

Spektator bleek ook interessant te zijn voor een groep studenten en docenten die evenmin toegang kreeg tot de deftige tijdschriften omdat ze het burgerlijk karakter van de literatuur bestudeerden op marxistische wijze. Cyriel Offermans, Anthony Mertens en Elsbeth Etty analyseerden in die tijd met rode hoofden het ware communistische gehalte van het werk van Herman Gorter en Henriette Roland Holst. ‘Histories-materialisme’ was het modewoord geworden. Hun stukken kregen in de Spektator een toegang die elders geweigerd werd.

Ondertussen bleven de studentenaantallen groeien en er waren elk jaar wel weer enkele nieuwe docenten nodig.

Het paard van Troje: de methodologenstrijd

Rond 1973 werd het paard van Troje in de Amsterdamse letterkunde binnengehaald. Het paard heette Hugo Verdaasdonk. Geen neerlandicus, maar iemand die van Algemene Literatuurwetenschap afkwam, waar Teun van Dijk de boel aan het opschudden was gegaan en de oude erudiete professor J. Kamerbeek tot dilettant verklaarde. In 1974 verscheen de eerste aflevering van een serie artikelen van Verdaasdonk die de letterkundige Neerlandistiek op zijn kop zou zetten en die tot op heden nog steeds gevolgen heeft. Vanaf toen was er een kleine maar invloedrijke groep neerlandici die alles beoordeelde vanuit de methodologie.

Het was alsof er een banvloek uitgesproken werd over de letterkundige Neerlandistiek tot dan toe. Niemand, niemand voldeed aan de strenge eisen van de natuurwetenschappen. Merlyn deugde niet, de literatuurwetenschap deugde niet, de vertelanalyses deugden niet, het was allemaal `verstehen’ en `hineininterpretieren’ en vooral toepassing van de hermeneutische cirkelredenering. Hermeneut: het werd een scheldwoord voor iedereen die poëzie of proza analyseerde. De toenmalige hoogleraar Jaap Oversteegen en Hugo Verdaasdonk konden met verhitte koppen tegenover elkaar aangetroffen worden, de een bewerend dat er door achterhouden van materiaal en deductie best nog een interpretatieve hypothese te bewijzen viel, de ander bewerend dat dat met letterkundige teksten onmogelijk was. Oversteegen schreef zijn boek Beperkingen: methodologische recepten en andere vooronderstellingen en vooroordelen in de moderne literatuurwetenschap speciaal om aan te tonen dat je interpretaties wel kon aanbieden vanuit een hypothese die controleerbaar en dus falsifieerbaar was. Verdaasdonk grinnikte daarom. Hij ging, zelfs uiterlijk, lijken op de befaamde ‘Leeuw’ van De Schoolmeester, ‘eigentlijk iemand, die bang is voor niemand’.

Met de artikelen van Verdaasdonk leken de vrije jaren zestig afgelopen te zijn. Voortaan moest de neerlandistiek onder de methodologische loep. Het was alsof er een gereformeerde ouderling in een rooms-katholieke kerk was binnengewandeld.

Met hem veranderde de sfeer aan het instituut. Reeds waren de vakken taalbeheersing en taalkunde afgegroeid van de letterkunde. De medewerkers van de verschillende vakgroepen zagen elkaar nauwelijks. De hoogleraren die de breed georiënteerde Stuiveling en Hellinga opvolgden, waren nu hoogleraren van gescheiden vakken: taalkunde, taalbeheersing, moderne letterkunde, historische letterkunde. Goede docenten gingen op de loop: Ton Anbeek, Willem Wilmink. Er ontstond dat nieuwe vak: taalbeheersing met de argumentatieanalyse, wat voor veel rumoer zou gaan zorgen tot in de eenentwintigste eeuw. Maar er was ook een splitsing onder de modern letterkundigen gekomen. Er waren de marxisten, de hermeneuten en de methodologen, en die verdroegen elkaars wetenschappelijke methoden niet.

De Neerlandistiek was haar onschuld kwijt, eerst in Amsterdam, en geleidelijk aan in heel Nederland. Voortaan draaiden de neerlandici-letterkundigen zich in slangenbochten om zich in het keurslijf van de natuurwetenschappen te wringen. Elke NWO-aanvraag (toen nog ZWO) moest in het methodologisch korset, en de letterkundigen verhardden. In de jaren tachtig en negentig kon er geen proefschrift meer verschijnen of er moest een ‘methodologisch schaamlapje’ voorhangen, zoals Dick van Halsema dat tot grote hilariteit van de zaal uitdrukte bij zijn promotie in 1986.

Reves moker: onleesbaarheid

Maar nog was de maat niet vol: het maatschappelijk aanzien van de academische Neerlandistiek kreeg een geweldige klap met de Huizinga-lezing van Karel van het Reve in 1978 in de Pieterskerk te Leiden Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid. Van het Reve ridiculiseerde de nieuwe richtingen van de literatuurwetenschap zo, dat heel intellectueel Nederland ervan overtuigd raakte dat de neerlandici nog alleen maar in barre en boze formuleringen en schijnwetenschappelijke formules konden schrijven. De Neerlandistiek werd gedemoniseerd, en die slag trof nog harder dan die van Verdaasdonk, omdat het vak daarmee veel van haar banden met niet-academische lezers verloor, die het tot dan toe wel had kunnen behouden. Het aantal abonnees op vakbladen daalde sterk, het schrijven voor kranten en weekbladen werd niet langer als een waardevolle bezigheid voor een academicus gezien en de vanzelfsprekende stroom van afgestudeerde neerlandici naar het onderwijs kwam tot stilstand.

De uitkomst

De methodologenstrijd heeft zeker goede dingen gebracht: de exploratie van nieuwe gebieden en de introductie van statistische studies in de letterkunde. Er kwam meer oog voor letterkunde in de brede zin. Orale letterkunde, tijdschriften, leesbibliotheken, literatuuronderwijs, kinderboeken, het hoort allemaal bij het onderzoeksgebied, tegenwoordig vanzelfsprekend. Het impressionistisch geschrijf en de slappe oordeelvellingen van de jaren vijftig verdwenen uit de literaire studies.

De hermeneutiek kwam weer terug, maar nu als positieve keuze. Er kwam een nieuwe invulling van het woord ‘theorie’. Het theoretisch kader van een proefschrift hoefde zich niet meer te onderwerpen aan de kronkels van de empirische cyclus. Als je het woord Bourdieu liet vallen, was het ook al goed, tot een paar jaar geleden, en nu is het ook al weer goed als je het hebt over New Historicism, Celebrity Studies of een vergelijkbaar methodologisch jasje voor puur hermeneutisch onderzoek. In de historische letterkunde werd de creativiteit van de onderzoeker die verbanden legt tussen literatuur, wetenschap en maatschappij aangemoedigd. Het tussen de regels door lezen werd verheven tot vak in het zogenoemde New Historicism, en dat heeft er mede voor gezorgd dat onbewijsbaarheid in de literatuurwetenschap geen kopzorg meer is. De literatuurwetenschapper mag weer speculeren – zolang hij zich althans bewust toont van zijn speculatieve denken.

De serie ‘Vormen van literatuurwetenschap’ van Hugo Verdaasdonk in De Revisor (1974/1975): 1, 2, 34, 5, (Let op: in de DBNL worden tijdschriften pagina voor pagina weergegeven; omdat in De Revisor lange artikelen soms werden afgewisseld met bijvoorbeeld gedichten, moet u soms een gedicht overslaan om het wetenschappelijke betoog te blijven volgen. Redactie Neerlandistiek.)

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde, taalbeheersing, taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Hugo Verdaasdonk: spelbreker en vernieuwer

  1. Peter Altena schreef:

    Onthutsend juist! Nu vond ik Hugo Verdaasdonk wel een stoere kerel, met zijn kekke jasjes en zijn hoofd dat onderdompeling in het echte leven verried, maar het dedain waarmee hij over nauwkeurig lezen en literatuurstudie schreef, was onverdraaglijk. Volgens hem was alles ‘inlegkunde’ en mochten alleen empirische oordelen als wetenschappelijk gelden. Dieptepunt, was een Moderne Letterkundesessie in Artis (echt!), waarin de wederzijdse verachting in oppervlakkige hoffelijkheid gekleed ging. Ik zag de arme Bernt Luger en Enno Endt bleek wegtrekken, alles wat zij deden en gedaan hadden verbleekte in het gezicht van de methodologen tot amateurisme. De aanvallen op de neerlandistiek dateerden al van vóór Karel van het Reve. Het succes van de neerlandistiek – getalsmatig, maar ook gezien de prominente aanwezigheid van neerlandici in de literaire kritiek en de toenemende specialisatie – leidde de crisis in: voor neerlandici bood het onderwijs omstreeks 1982 geen emplooi meer, het grote aantal gespecialiseerde studies was voor de gemiddelde neerlandicus niet meer te koop en te lezen. In gestaag tempo kakte de neerlandistieke infrastructuur in, maar misschien banen de crises de weg naar een mooie toekomst.

Laat een reactie achter