Gedicht: Jacob van Lennep • Aan een roosje

• Vandaag 150 jaar geleden overleed Jacob van Lennep. ‘Aan een roosje’ werd bij zijn leven niet gepubliceerd.

Aan een roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zoo mollig op haar boezem
Tusschen donzen peulen rust!
Aartig roosje, versch ondoken*,
ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zoo neergedoken
Tusschen ’t dubbel halssatijn,
‘k Lei geenszins als gij bewustloos
’t Hangend hoofdje stil op zij;
Neen, ‘k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel den omtrek van nabij.
‘k Zou, door heete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en malsch,
Duizend, duizend kusjens geven,
‘k Zoende schouders, nek en hals.
‘k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez’ voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blaauwer aders praalde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
‘k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De eene bol van d’and’re scheidt,
Die stilzwijgend schijnt te wenken,
Lager vindt ge rijker schat
Dan gij immer uit kost denken,
Dan een sterv’ling ooit bezat.
‘k Nam dat pad, van lust doorprikkeld
Tot die schat mijne oogen trof
En ’t geheim mij werd ontwikkeld
Binnen Cypris’ rozenhof.

Jacob van Lennep (1802-1868)

* Waarschijnlijk heeft hier (in het handgeschreven origineel) ‘ontloken’ gestaan – zie de reactie hieronder.

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Gedicht: Jacob van Lennep • Aan een roosje

  1. Ton Harmsen schreef:

    Dit is een transcriptie door Anton Korteweg van een handschrift in het Van Lennep-archief, dat voor zover ik weet berust in het Amsterdamse Gemeente-archief. Ik kan daar zo snel niet bij, maar ik vrees dat ‘ondoken’ (vers 5) een transcriptiefout is. Met de ‘d’ voor ‘tl’ gaat het vaak mis bij het lezen, net als de verwarring met ‘cl’: ik reken op uw dementie.
    Anton Korteweg veronderstelt dat het gedicht niet uit het Latijn vertaald is; ik zou ook geen gedicht kennen waar het precies bij aansluit tot en met het scabreuze einde. Maar de wens om als een roos tussen de borsten van een geliefde te zijn komt in de Neolatijnse poëzie wel degelijk voor, bijvoorbeeld in Lucas Fruterius’ gedicht met de verzen ‘Aut rosa sim, quo me manibus relevansque terensque // Associes niveis, Lux mea, pectoribus.’

  2. Ton Harmsen schreef:

    Beste Raymond, nu heb je van ondoken ‘on[t]doken’ gemaakt. Maar een roos ontduikt niet, noch onduikt zij: een roos ontluikt. In handschrift kan een t plus een l, dus iets ronds met een grote stok erachter, gemakkelijk als d worden gelezen, en dat is Anton Korteweg hier volgens mij (maar zoals gezegd ik heb het handschrift niet onder ogen gehad) overkomen.

Laat een reactie achter