Gedicht: Jacob van Lennep • Aan een roosje

• Vandaag 150 jaar geleden overleed Jacob van Lennep. ‘Aan een roosje’ werd bij zijn leven niet gepubliceerd.

Aan een roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zoo mollig op haar boezem
Tusschen donzen peulen rust!
Aartig roosje, versch ondoken*,
ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zoo neergedoken
Tusschen ’t dubbel halssatijn,
‘k Lei geenszins als gij bewustloos
’t Hangend hoofdje stil op zij;
Neen, ‘k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel den omtrek van nabij.
‘k Zou, door heete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en malsch,
Duizend, duizend kusjens geven,
‘k Zoende schouders, nek en hals.
‘k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez’ voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blaauwer aders praalde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
‘k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De eene bol van d’and’re scheidt,
Die stilzwijgend schijnt te wenken,
Lager vindt ge rijker schat
Dan gij immer uit kost denken,
Dan een sterv’ling ooit bezat.
‘k Nam dat pad, van lust doorprikkeld
Tot die schat mijne oogen trof
En ’t geheim mij werd ontwikkeld
Binnen Cypris’ rozenhof.

Jacob van Lennep (1802-1868)

* Waarschijnlijk heeft hier (in het handgeschreven origineel) ‘ontloken’ gestaan – zie de reactie hieronder.

———————————–