Een uur Nederlands… méér, alstublieft

Door Carl De Strycker en Yves T’Sjoen

Docenten Nederlands die maandagochtend vanuit de hele wereld naar Leuven reisden waar dezer dagen het internationale Colloquium Neerlandicum plaatsvindt, en die de krant kochten, moeten onderweg daarheen wel versteld hebben gestaan. Zij hebben gelezen dat het vak dat zij in de wereld uitdragen, en waarvoor groeiende interesse is (DS, 29/8), in het eigen taalgebied moet inkrimpen.

De katholieke onderwijskoepel maakte bij monde van de directeur-generaal bekend dat idealiter vanaf 1 september 2019 een vak “mens en maatschappij” zal worden georganiseerd in de eerste graad van het secundair onderwijs. Aangezien het aantal lesuren beperkt is, zal die ingreep ten koste gaan van wat anders in het curriculum. Naast plastische opvoeding, waarover we dezer dagen niemand horen, is in dat plan Nederlands het kind van de rekening.

Met dit standpunt stellen wij het voornemen ter discussie te beknibbelen op de studie van het Nederlands. De afgelopen dagen zijn internationale rapporten geciteerd waaruit blijkt dat, ondanks de nadruk in het secundair onderwijs op ‘vaardigheden’, met name de taalvaardigheid stilaan een zorgenkind is. Het niveau begrijpend lezen is dramatisch gedaald en professoren klagen dat bachelor- en masterstudenten niet langer in staat blijken zich goed uit te drukken in het Nederlands, laat staan gestructureerde teksten in volzinnen voor te leggen of een mondelinge presentatie in Standaardnederlands te houden. Het reduceren van het onderwijs Nederlands lijkt ons een verkeerde strategie om daarmee om te gaan.

Het thema van het congres in Leuven is Nederlands in beweging. Meer dan 350 docenten Nederlands uit binnen- en buitenland spreken er met elkaar over Nederlandse taal- en letterkunde, taalverwerving en didactiek van het Nederlands. Het plan om het aantal uren Nederlands op Vlaamse katholieke scholen met 20 procent te reduceren is er uiteraard onderwerp van gesprek. Dat de beweging van het Nederlands een neerwaartse zou kunnen zijn, daar hadden we niet bij stilgestaan… In de wandelgangen, op recepties en tijdens discussies is het ongeloof dan ook groot. Wij vernemen dat het omineuze bericht ook onderwerp van discussie is in leraarskamers en tijdens voorbereidingsvergaderingen voor het nieuwe schooljaar, en niet alleen leerkrachten Nederlands maken zich zorgen.

Het spreekt voor zich dat taalbeheersing, dat wil zeggen voldoende spreek-, schrijf- en leesvaardigheid, de basis is voor heldere communicatie en het aanleren van vreemde talen én dat taalkennis de beste basis biedt voor goed professioneel functioneren in de maatschappij. Een van de dooddoeners is dat leerlingen en studenten ook Nederlands leren in andere vakken, en bijgevolg moeten kunnen volstaan met vier uur Nederlands in de eerste graad. De taalstudie, met inbegrip van grammatica en spelling, begrijpend en kritisch lezen, mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid, vergt evenwel een gerichte aanpak. Indien men meent dat die verwachtingen ook kunnen worden gehaald met een uur minder, dan heeft men het verkeerd voor. En ook dit is een argument voor méér Nederlands: taalonderwijs, zeker onderwijs in één van de landstalen, behelst als het goed is veel meer dan het overdragen van grammaticale kennis. Het betreft ook het overdragen van kritische zin, culturele kennis en competenties met betrekking tot de onderwezen taal. Ongetwijfeld kan een leraar wiskunde wel af en toe een taalfout verbeteren, maar jonge mensen ook de bedoelde culturele (niet in de laatste plaats literaire) kennis en competenties bijbrengen, lijkt ons van hem of haar toch wat veel gevraagd.

De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde reageerde al op het bericht, maar de gehele neerlandistiek maakt zich eigenlijk grote zorgen. Het taalniveau van studenten daalt zienderogen en dat wordt niet gecompenseerd door een excellente beheersing van een andere taal dan het Nederlands. En dan gaat het heus niet alleen over de dt-regel. Beleidsmakers moeten zich bewust zijn van de mate waarin taal ons functioneren, denken en zelfs onze identiteit bepaalt. Je bent hoe je spreekt. Wie zich onzorgvuldig uitdrukt, kromme redeneringen hanteert en niet in staat blijkt een probleem te ontrafelen of inzichten te communiceren, denkt niet helder. Taal en denken zijn onlosmakelijk met elkaar vervlochten. Daarenboven is het van belang in een regio waar een zevende van de leerlingen thuis geen Nederlands spreekt, de kans te bieden de taal van de regio goed onder de knie te krijgen. Dat is een democratisch basisrecht van elke jongere die in het Nederlandse taalgebied opgroeit en de beste garantie op een job later.

Dat alles in acht genomen vragen wij de bevoegde minister en de katholieke onderwijskoepel vanaf september 2019 het aantal uren van het vak Nederlands met een uur uit te breiden.

Dit stuk verscheen ook in De Morgen (‘Opinie’, p. 24), 31 augustus 2018.

Collega’s die de oproep wensen te steunen, kunnen een mail sturen naar Carl de Strycker (carl.destrycker@poeziecentrum.be) en/of Yves T’Sjoen (yves.tsjoen@ugent.be). U kunt uw adhesie ook betuigen via neerlandistiek.nl@gmail.com; wij zorgen dat uw naam wordt toegevoegd.

Lijst van ondertekenaars

Kevin Absillis, docent Nederlandse letterkunde, Universiteit Antwerpen
Sarah Adams, doctoraatsstudent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Mechtelien van Barneveld, oud-docent Nederlands, Groningen
Ludo Beheydt, emeritus hoogleraar Université catholique de Louvain
Lars Bernaerts, docent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Ellen Beyaert, doctoraatsstudent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Siebe Bluijs, doctoraatsstudent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Hugo Brems, emeritus-hoogleraar (KU Leuven).
Geert Claassens, gewoon hoogleraar Middelnederlandse letterkunde, KU Leuven
Frans Daems, em. gew. hoogleraar Nederlandse taalkunde en didactiek Nederlands, Universiteit Antwerpen
Elisabeth de Bruijn, Postdoctoraal onderzoeker FWO, Universiteit Antwerpen
Yannice de Bruyn, doctoraatsstudent UGent en VUB
Dirk de Geest, gewoon hoogleraar Nederlandse Letterkunde, KU Leuven
Carl De Strycker, Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Gert De Sutter, Nederlandse taalkunde, Universiteit Gent
An De Vos, docent Nederlands lerarenopleiding UCLL/ Leuven
Ghislain Duchâteau, vicevoorzitter Netwerk Didactiek Nederlands
Karen Gerwig, docent Communicatie, Hogeschool Windesheim Zwolle
Ralf Grüttemeier, hoogleraar Nederlandse letterkunde, Carl von Ossietzky Universität Oldenburg
Laurens Ham, universitair docent Nederlandse letterkunde, Universiteit Utrecht
Ton Harmsen, oudere Nederlandse letterkunde, Universiteit Leiden
Kris Humbeeck, gewoon hoogleraar Nederlandse letterkunde, Universiteit Antwerpen
Jeroen Jansen, historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam
Nele Janssens, doctoraatsstudent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Barbara Kalla, Nederlandse letterkunde, Universiteit Wroclaw
Mike Kestemont, docent digitale tekstanalyse, Universiteit Antwerpen
Bram Lambrecht, postdoctoraal onderzoeker Nederlandse letterkunde, KU Leuven
Guido Latré, departementshoofd moderne talen, Université Catholique de Louvain
Marita Mathijsen, emeritus-hoogleraar (Universiteit van Amsterdam)
Hubert Meeus, gewoon hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse Letterkunde, Universiteit Antwerpen
Lut Missinne, hoogleraar Nederlandse letterkunde, WWU Münster
Rob Naborn, docent Nederlands en Cultuur der Lage Landen, University of Pennsylvania, Philadelphia, VS
Trudi Noordermeer, directeur Universiteitsbibliotheek Universiteit Antwerpen
Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische Communicatie, Nijmegen
Lia van de Pas, docent Nederlands, gymnasium Bernrode, Heeswijk-Dinther
Karel Porteman, hoogleraar-emeritus Nederlandse letterkunde (KU Leuven)
Johan Reijmerink, oud-docent Nederlands
Valerie Rousseau, onderwijsbegeleider moderne Nederlandstalige letterkunde, Universiteit Antwerpen
Jos Rombouts, oud-docent Nederlandse taalkunde, Universiteit Antwerpen
Rien Rooker, oud-docent Nederlands, Middelburg
Dominiek Sandra, gewoon hoogleraar Taalkunde, Universiteit Antwerpen
Kees Schepers, Ruusbroecgenootschap, Universiteit Antwerpen
Matthieu Sergier, docent Nederlandse literatuur, Université Saint-Louis – Bruxelles
Remco Sleiderinck, hoogleraar Middelnederlandse letterkunde, Universiteit Antwerpen
Frieda Steurs, KU Leuven en directeur van het Instituut voor de Nederlandse Taal, Leiden
Dirk Steyaert, gepensioneerd leraar Nederlands, Sint-Lievenscollege, Gent
Jan Stroop, Nederlandse taalkunde, Universiteit van Amsterdam
Yves T’Sjoen, hoogleraar Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Jan Uyttendaele, Oud-lector Lerarenopleiding Thomas More Hogeschool en Faculteit Letteren KULeuven
Veerle Uyttersprot, onderwijsbegeleider Nederlandse letterkunde (Universiteit Gent)
Stéphanie Vanasten, docent Nederlandse letterkunde, Université Catholique de Louvain
Mieke Van den Eynde, gepensioneerd docent Taalvaardigheid lerarenopleiding
Rik Van Daele, hoofdredacteur Tiecelijn / directeur Cultuur stad Sint-Niklaas
Reinhild Vandekerckhove, hoofddocent Nederlandse taalkunde, Universiteit Antwerpen
Kornee Van der Haven, docent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Louisa van der Pol, neerlandica
Hans Vandevoorde, Nederlandse letterkunde, Vrije Universiteit Brussel
Jacques Van Keymeulen, hoofddocent Vakgroep Taalkunde – Nederlands, Universiteit Gent
Maxime Van Steen, assistent Nederlandse letterkunde, Universiteit Gent
Mark van Vaeck, hoogleraar Nederlandse letterkunde, KU Leuven
Bart Vervaeck, hoogleraar Nederlandse letterkunde, KU Leuven
Andries Visagie, Afrikaanse en Nederlandse Letterkunde, Universiteit Stellenbosch.
Georges Wildemeersch, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, Universiteit Antwerpen