Wie is er bang voor de neerlandistiek?

Door Marc van Oostendorp

Weinig schoolvakken hebben zoveel pleitbezorgers in het publieke leven als de wiskunde. Het kan aan mijn beperkte blik liggen, maar ik hoor zelden iets wervends van pakweg een Nederlandse chemicus of aardrijkskundige, terwijl de boeken van wiskundigen als het ware niet aan te slepen zijn en ik als volstrekte leek zo al gemakkelijk vijf Nederlandse wiskundigen kan noemen.

Een van hen is Gerardo Soto y Koelemeijer, een wiskundedidacticus en een man van vele talenten die onlangs zijn nieuwe boek publiceerde, Wie is er bang voor wiskunde?

Voor de neerlandicus is het titelessay misschien wel het interessantst, want wat voor problemen ons geplaagde vak ook heeft, dat mensen er bang voor zijn hoort daar geloof ik niet bij. Ik heb in ieder geval nog nooit gehoord van iemand die al begon te zweten als hij een literatuurgeschiedenis zag liggen.

Laurent

Daarbij spelen verschillende factoren een rol, zoals de koele ongenaakbaarheid van de wiskunde, het feit dat het een eigen wereld betreft met keiharde wetten.

Die precisie roept bovendien een speciale competitiedrang op bij sommigen: je kúnt aantoonbaar de beste zijn in een wiskundetoets omdat je alle vragen objectief juist kunt beantwoorden. Je kunt bovendien een wonderkind zijn in de wiskunde terwijl dat in veel geesteswetenschappelijke vakken niet mogelijk is, misschien omdat het een zekere rijpheid vereist om om te kunnen gaan met problemen die niet strak gedefinieerd zijn of omdat wonderkinderen nu eenmaal moeten uitblinken: als het achtjarige wonderkind Laurent dat een paar weken geleden zijn eindexamen ging doen, geen beta-vak gaat studeren, eet ik mijn hoed op. Als hij Nederlands komt studeren, eet ik er ook mijn schoenen bij op.

Afgebakende problemen

Soto beschrijft in zijn boek ook een van de bewonderenswaardigste voormalige wonderkinderen die er zijn: de Australiëre Terence Tao,  iemand die nog steeds regelmatig grote ontdekkingen doet, alleen of samen met anderen (op zijn blog!) Soto beschrijft sommige van deze ontdekkingen op zijn beurt met voldoende helderheid om een indruk te krijgen van de breedte van Tao’s prestaties.

Soto is duidelijk gefascineerd door Tao’s verhaal en tegelijkertijd beseft hij het gevaar: heldenverering kan mensen afschrikken van de wiskunde – kun je dat vak dan echt alleen beoefenen als je een genie bent? Tao is juist bescheiden en benadrukt altijd het belang van samenwerking, schrijft Soto, en onderstreept dat de belangrijkste voorwaarde voor het doen van goede wiskunde is: hard werken.

Waar de wiskunde dat probleem heeft dat mensen er enorm tegenop kijken en zien als iets voor genieën, hebben wij bijna het tegenovergestelde probleem. Dat heeft misschien ook iets moois, maar het zou op zijn minst goed zijn om ook denkers te hebben als Soto y Koelemeijer die essays publiceren over de vraag waarom het zo is.

Gerardo Soto y Koelemeijer. Wie is er bang voor wiskunde? Amsterdam: AUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.