Poezengedicht 3: C. Buddingh’ – Sammie

Sammie

Mijn allergrootste vriend is Sammie Buddingh’,
die vluchteling, zeggen we, uit ’t woonwagenkamp:
zijn vader stuurde hem elke dag uit bedelen,
maar wat hij ook meebracht, hij kreeg stank voor dank.

En toen kwam hij bij ons, braafste aller katers,
met zijn melancholieke eekhoornstaart.
Vanaf ’t begin prezen wij hem uitbundig
en zo is hij tenslotte tot rust geraakt.

O, lieve Sam, soms lig je op ons bed
wanneer ook ik een dutje wil gaan doen
en spint mij toe vanaf Stientje’s voeteneind.

Ik streel je brede kop, jij likt mijn hand,
en welke stormen ook in ons mogen woeden,
we dommelen gesterkt naast elkaar in.

C. Buddingh’ (1918-1985)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , , . Bookmark de permalink.