Mieke van Zonneveld en het sonnet

Door Chrétien Breukers

Een klassiek gedicht willen schrijven, dat wil zeggen: een gedicht dat zich baseert op lang geleden vastgelegde regels en een vorm die ononderhandelbaar is, lijkt een hachelijke kwestie. De inhoud gaat al snel trekken, alsof die zich plooit naar de ouderwetsheid van de behuizing. De dichter die zich een dergelijke taak oplegt, lijkt op een componist die een sonate wil schrijven naar, bijvoorbeeld, model van Mozart. Waar is de dichter, bij zo veel geschiedenis, zelf?

Het gedicht ‘Queeste’ van Mieke van Zonneveld laveert nadrukkelijk tussen twee werelden: die van het klassieke gedicht (in dit geval een sonnet) en die van een hedendaags levensgevoel; de liefde wordt in dit gedicht geproblematiseerd en de geliefde lijkt op afstand. Er is tweespalt, tot in de gevoelens van de dichter toe, en alles valt in stukken uiteen. Als ze schrijft: ‘haar gotische poort en haar heilige graal / die eenmaal gevonden geen waarde meer had’ heeft ze het over zichzelf, de geliefde (die haar blijkbaar niet meer ‘hoeft’ en de verhouding tussen toerist (passant) en stad (vaste woonplaats), een verhouding die in deze tijd dwingender (en dus belangrijker) lijkt dan ooit.

Het is opvallend dat veel sonnetten die hedendaags willen zijn de grenzen van het metrum en de vorm opzoeken. Hans Andreus, H.H. ter Balkt en Maria van Daalen, ze schreven allemaal sonnetten die in hun voegen kraakten en uit de pas liepen. Dichters die zich conformeerden aan de vorm en het ritme neigden dan weer vaker naar het clichématige. Jan Pierre Rawie en Driek van Wissen zijn goede voorbeelden; Gerrit Komrij en Jan Kuijper zijn dichters die de klip van het al te ouderwetse wisten te omzeilen en Jan Kal is uitzondering, hij schrijft geen sonnetten maar Kal-gedichten, waaraan het sonnet ten grondslag heeft gelegen. Patty Scholten vond ook haar eigen niche.

Van Zonneveld laveert een beetje tussen Komrij en Rawie. Het octaaf is hier en daar wel erg gemakkelijk, hoewel de twee slotverzen van elk van de kwatrijnen weer iets hebben. Iets waarvan je denkt: daar had de dichter best meer mee mogen doen. In die regels legt Van Zonneveld niks uit, maar zegt ze iets. Ze maakt het verschil in afstand tussen de toerist en de dichter aanschouwelijk. Er is gereisd, er is liefgehad, er is verloren, er is seks geweest. Er is nog steeds seks, maar niet in de configuratie die de dichter zich wenst of wenste. Waarom er twee keer uitleg nodig is om dit allemaal in te leiden is me een raadsel.

Het sextet slaat, naar de aard van het voorschrift, een heel andere toon aan. Ik krijg het idee dat er daarnaast plotseling poëzie door het gedicht waait. Het lijkt wel of de dichter de touwtjes, na een wat slodderig begin, strak in de handen neemt en in onvermijdelijke zinnen van zich afbijt. Ritmisch loopt alles plotseling beter en hoewel het enjambement na regel 11 niet vrij is van krachtpatserij vond ik het toch wel mooi. De dichter schuift ook met de ruimte: er is niet alleen een afstand tussen haar en de toerist (dat is wat ik denk tenminste, er is iemand in Valencia en de dichter blijft thuis, hoewel er voor een andere lezing ook iets te zeggen valt, maar volgens mij minder), er is ook afstand tussen de verschillende gevoelens die in de dichter leven.

Het slotakkoord is in dit verband mooi, hoewel misschien iets te nadrukkelijk. Er vecht van alles in de dichter, zoals haar gedicht ook vecht. Het wil een sonnet zijn en ontsnapt daaraan. Van Zonneveld krijgt wat ze wil zeggen alleen met de grootste moeite, en in het octaaf met gebruikmaking van wat stoplappen, precies veertien regels lang. Mooi is het allemaal wel, al lijkt de queeste waar de titel naar verwijst pas na het gedicht te beginnen. Daarom had er, met een minder dwingende vorm, meer ingezeten. Het sonnet, ooit nodig om de eindeloze balladen tot een handzame (en gemakkelijk af te drukken en/of te vermenigvuldigen vorm) terug te snoeien, heeft zijn tijd letterlijk gehad en is heel moeilijk met inhoud te vullen.

Dit stuk verscheen eerder op het eigen blog van Chrétien Breukers.

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.

5 reacties op Mieke van Zonneveld en het sonnet

  1. Jos Houtsma schreef:

    Ik zeg: een heel erotisch gedicht, heet van jaloezie. Volgens mij waait er heel wat poëzie door deze regels!

  2. Jaap van den Born schreef:

    Nooit geweten dat je kunt laveren tussen een vorm en een levensgevoel. Laat staan tussen een klassiek sonnet en het hedendaags levensgevoel waarin de liefde een probleem is en de geliefde op afstand, dat vroeger niet bestond en dan ook in geen enkel klassiek sonnet voorkomt. De ontdekking dat dus al die sonnetten waarin dit al honderden jaren aan de orde komt wel vervalsingen moeten zijn met duidelijke anachronismen, zal wel veel stof doen opwaaien.
    Dat het sonnet ontstaan is omdat het nodig was balladen terug te snoeien is een literaire ontdekking waar wel een proefschrift in zit .
    Dat het moeilijk is met inhoud te vullen valt reuze mee, het is een van de soepelste versvormen, het ligt meer aan de inhoud van de dichter.
    . .

  3. Jaap van den Born schreef:

    Dat het sonnet nog volop leeft en er geen sprake van is dat het zijn langste tijd gehad heeft valt hier met eigen ogen te zien:

    http://hetvrijevers.nl/index.php/forum/10-Sonnetten

  4. Inge Boulonois schreef:

    De Dichtgetijden

    Hier peest en racet de postmoderne geest:
    we moeten dringend dit en instant dat
    en altijd weer wat anders dan men had.
    Zelfs de Parnassus schoeit op rasse leest.

    Geen tijd voor metrum, rijm en vaste vorm,
    poëten braken trendy losse flodders,
    veelzeggend als met verf gesmeten klodders.
    Het stijlloos vrije vers verscheen, werd norm.

    Een leger dichters lijdt zwaar aan de tijd
    want vrijheid remt de creativiteit
    en verkoop van hun bundels blijft stagneren.

    Maar binnenkort zal deze trend wel keren,
    de ware muze kan niet zonder wetten:
    straks dweept de avant-garde met sonnetten!

    © Inge Boulonois

  5. Johanna van Zwet schreef:

    Beperking?

    Toen acht eeuwen her het sonnet werd geboren
    was dichten een kunstvorm voor enkel diegenen
    die dankzij hun welstand hun veer konden lenen
    aan dat wat aan muzengezang was te horen.

    Ze lieten zich niet door de herrie verstoren
    van volksgericht, drinkgelag, marktplaatssirenen.
    maar putten zich uit om in rijm te bewenen
    de liefde die voor het begon was verloren.

    De dichter van nu die het vuur heeft bewaard
    en metrisch zijn boodschap in rijm heeft vervat
    wordt net als weleer door de muzen beloond.

    Voor ridders en rappers van iedere aard
    hanteren de muzen de stelregel dat
    de meester zich in de beperking pas toont.

Reacties zijn gesloten.