Gedicht: Karel Vertommen – De kriekelaar

De kriekelaar*

De kriekelaar die in de kleine tuintjes koning is,
en uitsteekt boven ewig-flapperend wasgoed,
in de achterbuurt waar, onvermoed, veel stakkerds wonen.
Ons kleine vreugden, als wij sjouwen met ons wateremmers
vanaf de verre pomp naar huis,
dan sneewt een onverwachte bloem in ’t klotsend water.
Als wij op lage stoelen ’s avonds aan de deur ons zetten
dan kijken ons vertrouwde zonnebloemen aan,
een armer stakkerd nog dan wij laat dan zijn orgel djingelen,
en uit een open dakraam zingt een meisjesstem.
De kriekelaar is stil, zijn witte bloemenglimlach
brengt door het donker stille vreugde nog,
wanneer de stemmen zachter spreken …

Kom, laat nu alle leed weer eens vergeten zijn.

Karel Vertommen (1907-1991)
uit: Neuriën (1934)

———————————–