Gedicht: Jan Prins – De boer en de boom

De boer en de boom

Een boom stond op den akker van een boer, met heel
Zijn kroon tegen den hemel. Vruchten droeg hij niet,
Maar krekels met hun zang, vogels met hun gekweel,
Vonden er toevlucht voor zichzelf en voor hun lied.
De boer wilde den boom, daar hij geen vruchten gaf,
Gaan rooien, en hij bracht den eersten bijlslag aan.
Vogels en krekels smeekten hem daarop: “Laat af,
Opdat ons aller onderdak mag voortbestaan.
Wij zingen, daar beschut, toch ook voor uw vermaak?
Waar moet het met ons heen, wordt deze boom geslacht?”
De landman echter sloeg op hun verzet geen acht.
Zijn slagen vallen, en geen slag, of hij is raak.
Daar vindt hij in een holte, die hij tegen komt,
Een wilde-bijenzwerm met honing in de raat.
Hij heeft ervan geproefd, en zie, de bijl verstomt,
Dien hij terzijde legt, en verder rusten laat.
Den boom eerbiedigend, als ware hem die heilig.
Hier althans zijn voortaan krekels cn vogels veilig!

Wij zien opnieuw, hoe niet zoozeer gerechtigheid
Als winzucht de gedragingen der menschen leidt.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Naar Aesopus

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.