Gedicht: Jan H. de Groot – De ballade der vierduizend Friezen

De ballade der vierduizend Friezen

Vierduizend friezen stonden aan den Rijn
tegen honderdduizend Fransozen.
En het aantal, dat er nog meer moest zijn,
ging wel vijfmaal dat der Friezen te boven.

Vierduizend Friezen wachtten aan de Rijn
onder bevel van drie Hollandsche luiten.
zij lagen bij Lobith onder een Hollandsch kapitein
om den opmars der Franschen te stuiten.

De Fransozen marcheerden op aan den Rijn
want Wezel was al gevallen
en Holland zou gansch verloren zijn,
als bij Lobith niet lagen de wallen.

Als bij Lobith de Friezen niet hielden de wacht,
onder een Hollandsch kaptein en drie luiten,
met ’t bevel van den Prins om de legermacht
der Franschen bij Lobith te stuiten.

Met ’t bevel van den Prins, tot den lesten man
de macht der Fransozen te stuiten.
En vierduizend Friezen zijn nimmer bang
onder een Hollands kapitein en drie luiten.

Want vrijheid, dat is zulk een kostbaar goed
en dat wordt maar zoo zelden gevonden,
daarvoor geven Friezen hun hartebloed
met een lach op hun stugge monden.

Vierduizend friezen stonden aan den Rijn,
tegen honderdduizend Fransozen.
En het aantal, dat er nog meer moesten zijn
ging wel vijfmaal dat der Friezen te boven.

Jan Petersen was een valsche boer,
die heeft aan de Franschen verraden
de plek bij de Tol, waar men overvoer
en het water der Rijn kon doorwaden.

Jan Petersen was een valsche boer,
die werd door de Friezen gevangen.
Jan Petersen werd als Jan Toereloer
aan den hoogsten boom opgehangen.

Toen trokken de Franschen het water in.
Hun koning stond op de kade.
Hij sloeg van den wal het tochtbegin
van zijn machtige legers gade.

En naast hem keken zijn maarschalken toe.
Condé, Luxembourg en Turenne,
die zagen met angst in hun lijven hoe
de Franschman aan water moest wennen.

En aan vuur, want Friezen mogen er zijn.
En een Hollandsch kaptein weet van wanten.
Hoeveel Franschen vielen daar aan den Rijn?
Hoeveel bloed vloeide daar van de kanten?

Hoveel eed’len verloren den grond in den Rijn?
En hun trots en hun lief en hun leven?
Maar van vierduizend Friezen onder ’n Hollandsch kaptein
zijn er veel in dien strijd gebleven.

Want vierduizend Friezen onder ’n Hollandsch kaptein
hadden ’t bevel van Oranje gekregen:
Gij houdt bij het Lobither Tolhuis ter Rijn
den Fransoos, tot den lesten man, tegen.

Van de morgenzon tot het avondrood
hebben vierduizend Friezen gestreden.
Het water bij lobith was purperrood.
Zoo hebben de Fransen geleden.

En maarschalk Condé kreeg een schot in zijn arm,
Hij kon ’t ‘En Avant’ niet meer geven.
Hij heeft met het Hollandsche lood in zijn arm,
op den rand van den dood gelegen.

Van de avondzon tot het morgenrood
viel bij Lobith een kogelregen.
En vierduizend Friezen bevochten den dood,
tot de leste Fries was gebleven.

Want vierduizend Friezen en een Hollandsch kapitein
hadden ’t bevel van Oranje gekregen:
Gij houdt voor de vrijheid van ’t land aan den Rijn
de Fransoos, tot den lesten man, tegen.

Jan H. de Groot (1901-1990)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Gedicht: Jan H. de Groot – De ballade der vierduizend Friezen

  1. DirkJan schreef:

    Gisteren las ik in de ledenmail van Onze Taal dat hun medewerker Raymond Noë (hoofdredacteur van het maandblad) de Visser-Neerlandiaprijs van het Algemeen Nederlands Verbond heeft gekregen voor zijn jarenlange inzet voor de poëzie bij het Laurens Jz Costerproject (opgericht door Marc van Oostendorp), dus ook voor zijn dagelijkse bijdrage hier op Neerlandistiek met stipt om 17.00 uur het gedicht van de dag. Gefeliciteerd!

    (Terzijde: voor velen kunnen het er nooit genoeg zijn, maar wat zijn er ieder jaar een hoop prijzen te verdelen in literatuurland, ik vind te veel.)

Reacties zijn gesloten.