Vreemd geluk in C.O.Jellema’s gedicht ‘Mei’

Door Louisa van der Pol

In ‘Hoe zij een steentje uit haar schoenen haalt’ (Neerlandistiek, 26 mei 2018) maakt Marc van Oostendorp enkele boeiende opmerkingen bij het sonnet ‘Mei’ van C.O. Jellema. Treffend verwoordt hij de ambiguïteit die hij ervaart bij het lezen van een ogenschijnlijk simpele gebeurtenis: twee oude mensen, die een avondwandeling maken in de maand mei. Op zich niets bijzonders maar er moet, volgens hem, gelet worden op de details. Nadat hij daarvan enkele voorbeelden gegeven heeft, komt hij tot de conclusie dat Jellema erin geslaagd is iets te zeggen dat je nog nooit gehoord hebt en waardoor je alles anders ziet. Hij daagt daarmee uit je steeds meer in dit gedicht te verdiepen. Al lezend komen er steeds meer vragen boven. Waarom is het geluk dat beide mensen gekend hebben en waarnaar ze zo’n heimwee hebben, nu een vreemd geluk? Welk systeem van vrede breken zij stuk? Opvallend is dat Jellema het plechtige ‘tesaam’ koppelt aan het alledaagse, simpele woord ‘pop’. Overigens is het een merkwaardige pop, een ‘grijze’.

En dan de titel. Het beeld van de bloeimaand past, poëtisch gezien, niet zo bij oud-zijn en een naderend levenseind. In ‘Bladval’ bijvoorbeeld verbindt Jellema oud worden en sterven met de herfst: ‘Bladval, sermoen van herfst. En in verzet / tegen het sneller draaien van de jaren’ en ‘[…] tussen al die blaren / ziet men zijn hand, de rest ervan, ’t skelet’. Al deze details, die eigenlijk niet kloppen en daardoor vervreemding oproepen, wijzen erop het gedicht anders te lezen dan alleen als het verhaal van twee oude mensen die een avondwandeling maken, terugverlangen naar hun jeugd en binnenkort zullen sterven.

Aardse beslommeringen

Jellema heeft in interviews naar aanleiding van het vertalen van Eckharts preken en traktaten kenbaar gemaakt dat er een andere betekenis aan zijn gedichten te geven is door de mystiek van Eckhart erbij te betrekken. Die opmerking moet niet beperkt worden tot de poëzie na 1995, de tijd dat hij bezig was met het vertalen van Eckharts mystieke werk. In zijn eerste bundel Klein Gloria en andere gedichten uit 1961, waarin ‘Mei’ is opgenomen, zijn veel mystieke woorden en gedachten aan te wijzen. Dat is niet verwonderlijk, want al vanaf zijn studententijd was hij geboeid door de taal van de Rijnlandse mystici Eckhart, Tauler en Seuse en verlangde hij die taal in eigen poëzie over te zetten. Zo zijn in ‘Mei’ sporen van Eckharts preek ‘De mens van hoge geboorte’ te vinden. Waar het dan precies in deze preek, over de bijbeltekst Lucas 19:12, over gaat, vat Eckhart kort samen: ‘Onze Heer wilde leren hoe edel de mens van nature is geschapen, hoe goddelijk datgene is waartoe hij door genade kan komen en wat hij moet doen om zo ver te komen.’

In zijn uitleg wordt duidelijk dat hij wil laten zien wie de mens in wezen is. Volgens hem bezit de mens tweeërlei natuur: een innerlijke mens en een uiterlijke mens. Wat hij met de innerlijke mens bedoelt, omschrijft hij met meerdere beelden: het is de hooggeboren mens; de nieuwe mens; de jonge mens; de man of de Adam in de ziel; de goede, frisse boom die goede vruchten voortbrengt of de akker waarin God zijn beeld, dat is Gods Zoon, Gods Woord gezaaid heeft. De uiterlijke mens daarentegen is de oude mens; de slechte boom die nooit goede vruchten kan dragen en degene die, net als Eva haar man deed, de nieuwe mens ertoe aanzet met het aardse bezig te zijn. Door aardse beslommeringen wordt de nieuwe mens dan gehinderd zich volledig op God te richten. Maar, schrijft Eckhart, hoewel het zaad dan wel verborgen of bedekt wordt, kan het, omdat God het heeft ingezaaid en ingedrukt, nooit verdelgd of verstikt worden. Alleen als de mens zich vol verlangen opwaarts richt, omhoog kijkt en zich onafgebroken richt op God, straalt het beeld in hem.

Vroeger geluk

Door ‘Mei’ tegen de achtergrond van deze preek te bestuderen, is de andere betekenis dat het in dit gedicht niet zozeer gaat om twee verschillende mensen, maar om één mens, die tweeërlei natuur bezit: de innerlijke, jonge, nieuwe mens en de uiterlijke, oude mens. In ‘Mei’ komen de begrippen verlangen (heimwee), jong (alles lijkt jong), opwaarts gericht (het kijken naar de wolk boven de bomen), de goede boom (de berken zijn fris) en de man in de ziel (de berken zijn manlijk). In het gedicht wordt de innerlijke mens belaagd door de uiterlijke mens, Het zijn oude mensen en alles lijkt nu jong, met andere woorden, de oude mens overheerst. Dat wordt bevestigd door de beelden in de tweede strofe, waar de vrouw overweegt dat ze gelukkig was, met andere woorden ze heeft weet van haar eigenlijke afkomst, maar ze heeft dit geluk verloren, wat voelt als een gemis. De man weet eveneens van dat vroegere geluk. Hij heeft zichtbaar haast om dat geluk terug te krijgen: hij heeft grote voeten waar hij hard mee kan lopen zonder op zijn vrouw te wachten. Ondanks zijn verlangen, is hij niet opwaarts gericht; hij kijkt niet naar boven, maar naar beneden, naar zijn voeten. De vrouw die wel naar boven keek, is neerwaarts gericht door een steentje uit haar schoen te halen. Kortom, ondanks hun verlangen naar God zijn ze teveel aards gericht. Ze ervaren dan ook geen eenheid met God; het geluk dat ze gekend hebben, is nu een vreemd geluk, waarin ze eenzaam zijn.

Eckhart noemt in zijn preek zes stadia van vernieuwing. Het eerste stadium is dat de mens leeft volgens het voorbeeld van goede en heilige voorgangers en heel voorzichtig zich nog aan iets of iemand vasthoudt. Dat klinkt door in ‘Mei’ waar de man ‘behoedzaam’ rond een ‘regenplas’ loopt: hij loopt eromheen, met een zekere huiver. (In Jellema’s poëzie zijn zee, rivier, beek, plas of vijver beelden voor God/het goddelijke). De vrouw kijkt wel omhoog, maar ‘overweegt’ haar vroegere geluk, dat wil zeggen: het blijft bij een erover nadenken vanuit zichzelf, niet vanuit een gerichtheid op God, want het blijft een gemis.

Ledepop

In de volgende vier stadia die Eckhart noemt, gaat de mens zich steeds meer op God richten, aanvaardt elke aanvechting en tegenslag, leeft vredig in zichzelf en rust stil in de rijkdom en overvloed van, wat Eckhart zo noemt, de hoogste, onuitsprekelijke wijsheid. In de vierde en vijfde strofe van het gedicht zijn deze stadia te herkennen. De man laat zich niet ophouden door aanvechtingen of tegenslag: hij loopt door, terwijl zijn vrouw nog bezig is met het steentje. Ook zij loopt daarna hard door, want zij haalt hem in. Zij gaan beiden niet meer af op wat anderen geleerd hebben: ‘zij breken elk systeem van vrede stuk.’ Hierbij is te denken aan wat Jellema meermalen gezegd heeft dat hij zich niet kon vinden in de dogma’s van de kerk.

Het zesde stadium bij Eckhart is de ‘ontvorming’ van de mens en zijn omvorming door Gods eeuwigheid. Als, in de vijfde strofe, de vrouw de man ingehaald heeft, worden ze, in de zesde strofe, een eenheid. Beiden verliezen hun eigen vorm: ze zien er samen uit als één grijze pop, wat letterlijk gezien, wel past bij het verdwijnen in de bocht: ze zijn in de avondschemering niet goed meer van elkaar te onderscheiden. Het plechtige woordgebruik in ‘tesaam een … pop’ in combinatie met de laatste regel ‘God berg hen in de hemel op’ kunnen zeker verwijzen naar de diepere betekenis van de ontvorming en omvorming door Gods eeuwigheid. In Jellema’s gedicht ‘Fata morgana’ uit 1999, met daarin veel verwijzingen naar Eckharts mystiek, verwijst het begrip tesaam naar: ‘in zich als een die ons tezaam verlost / van een gescheidenheid die nimmer went.’) En pop komt voor in het vroege, ongepubliceerde gedicht ‘Voor God’ (in Jellema’s archief, in het Letterkundig museum). In dit gedicht dat hij in 1966, enkele jaren na ‘Mei’, schreef, gaat het, net als in de preek, over een ‘ik’ die van het oude-mens-zijn verlost wordt door een ‘gij’. De ik-persoon wordt daardoor ontvormd, hij wordt een ‘ledepop’ die een eenheid ervaart met de ‘gij’.

Tesaam een-zaam

In ‘Mei’ is het een grijze pop. Grijs is een kleur die niet wit en niet zwart is. In Jellema’s poëzie staat wit voor zuiver (Eckharts lûter) en zwart voor dood (Eckharts duisternis, dat is zonder God). In de preek gebruikt Eckhart wit als hij schrijft over het God onverhuld kennen. Volgens hem zijn er veel mensen die denken dat ‘bloesem en kern van de zaligheid’ daarin bestaan dat de kennende geest zich ervan bewust is dat hij God kent. Dat lijkt, volgens hem, heel geloofwaardig en zonder die kennis is de ziel ook niet zalig, maar de eigenlijke zaligheid hangt niet daarvan af. En dan geeft hij als voorbeeld dat een mens de kleur wit niet kan herkennen zonder bemiddeling; alleen door iets wat wit is, herkent hij wit. En zo kan de mens alleen God zien door de bemiddeling van God zelf. Het lijkt erop dat Jellema’s grijze pop staat voor het twijfelen of er wel een eenheid, een zaligheid is. De laatste regel ‘God berg hen in de hemel op’ zou dan als gebed toch nog een onzekerheid uitdrukken. Door deze regel te verbinden met de titel, de naam van de maand waarin de bloesem aan de bomen komt, is er eerder te denken aan de ‘bloesem en kern van de zaligheid’. Want, zo geeft Eckhart weer, de zaligheid is er door bemiddeling van het Woord, dat in het hart, in de eenzaamheid, gesproken wordt. Door dat in het hart gesproken Woord gaat de mens zich op God richten en wordt hij een nieuwe mens. Dit is wat de mens, aldus Eckhart, wezenlijk is: deels geboren uit het hoogste en beste van de schepping en deels uit de innerlijkste oergrond, de een-zaamheid, van de goddelijke natuur. Het is in ‘Mei’, wanneer de bloesem bloeit, tesaam een-zaam zijn in vreemd geluk.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Vreemd geluk in C.O.Jellema’s gedicht ‘Mei’

  1. Johanna van Zwet schreef:

    Met belangstelling gelezen, dank.

Reacties zijn gesloten.