“Omdat ik mijn brood bij elkaar schrijf, worden die vijf bladzijden niet gezien”

De gefnuikte ambities van P.H. Ritter Jr.

Door Marc van Oostendorp

P.H. Ritter jr.(1882-1962) was in zijn dagen de bekendste Nederlandse letterkundige, vooral door zijn boekbesprekingen voor de radio, maar ook door de vele boeken die hij schreef, de grote stukken die hij bijdroeg aan de krant, het Utrechts Dagblad, waarvan hij jarenlang hoofdredacteur was, en de vele en populaire lezingen en cursussen die hij gaf. Toch was hij verbitterd.

‘Weggejaagd hoofdredacteur’ liet hij op een visitekaartje drukken nadat de directie van zijn krant hem had laten weten dat zijn vele activiteiten buiten de deur niet goed verenigbaar waren met de baan voor de krant. “Klakkeloos word ik”, schreef hij toen er in een geschiedenisboek alleen gewag werd gemaakt van een schandaal dat rondom zijn krant was ontstaan en niet van zijn andere activiteiten, “prijs gegeven aan de verachting van het nageslacht! Moet hier niet iets tegen gebeuren.”

Inderdaad heeft er rond Ritter lang een negatief beeld bestaan, als iemand die meer boeken besprak dan hij kon lezen, als iemand die te oppervlakkig was én te commercieel, als iemand met zijn werk voor de AVRO nu niet bepaald de grote literatuur had geholpen.

Innerlijke drijfveren

Dat beeld is de laatste jaren in verschillende publicaties (bijvoorbeeld het proefschrift van Jeroen Dera van vorig jaar) al wat bijgesteld, maar Alex Rutten kantelt het in zijn proefschrift, dat meteen ook bij uitgeverij Literatoren verscheen, wat mij betreft definitief. Hoewel hij heel voorzichtig is en zelf nauwelijks een oordeel uitspreekt, kun je als lezer niet anders dan onder de indruk komen van het idealisme dat Ritter voortdreef: een ideaal om de literatuur op zoveel mogelijk manieren aan de man te brengen en te populariseren, en om op die manier het volk te verheffen. Dat hij op die manier ongetwijfeld ook zijn eigen eerzucht wilde bevredigen, lijkt in De publieke man minder belangrijk.

Ruttens methode ligt dicht bij de sociologie. Ritter is weliswaar de centrale figuur, maar het gaat minstens evenveel om de wereld waarin hij opereerde. Dat betekent dat je enerzijds niet veel te weten komt over het privé-leven en de innerlijke drijfveren van de man, maar des te meer over bijvoorbeeld de organisaties waarin hij opereerde en hún reden van bestaan.

Zeitschriftkunde

Dat werpt ook een ander licht op die organisaties. Het was mij bijvoorbeeld eigenlijk nooit zo duidelijk hoe idealistische de AVRO in eerste instantie was: een groep mensen die, op een niet politiek gekleurde manier, kwaliteitsradio wilde brengen voor het hele Nederlandse volk en zo wilde voorkomen dat het nieuwe medium in commerciële handen terecht zou komen. Dat paste ook precies in de idealen van Ritter, die er bovendien van hield om neutraal en zo toegankelijk mogelijk verslag te doen van de boeken die hij las.

Dat idealisme zat ook duidelijk in de volksuniversiteiten, waarvan Rutten heel boeiend het ontstaan beschrijft: organisaties die gedegen kennis op wetenschappelijke grondslag aan de man wilde brengen, onder andere door cursussen over de moderne letteren. Ritter verzorgde ze in heel Nederland en werd daarmee een van de actiefste letterendocenten van het nieuwe instituut. (Op zeker moment ambieerde hij ook een overstap naar de ‘echte’ universiteit, maar hoogleraar Zeitschriftkunde is hij uiteindelijk nooit geworden.)

Professor

Ook met zijn werk voor de krant had Ritter, laat Rutten, zien een duidelijk ideaal van verheffing, van het geven van objectieve informatie over boeken voor ogen, dat soms misschien conflicteerde met zijn wens ook propaganda te maken voor het goede boek. Van de neiging tot polemiek die jongeren als Ter Braak en Du Perron tentoon spreidden, had hij een afkeer, zodat hij boeken welwillender besprak (ook die van Ter Braak en Du Perron) dan hij wellicht meende.

Toch raakte hij in ieder geval aan het eind van de jaren dertig wat ontmoedigd. Zijn ‘maatschappelijke’ rol werd wel gezien, maar dat hij bij dit alles ook zelf literatuur schreef, verdween uit het zicht. In een brief aan een vriend schreef hij:

Er komt bij, dat door mijn veelvuldige zuiver journalistieke publiciteit, de vijf werkelijk feilloze en verantwoorde bladzijden, die ik ieder jaar schrijf, niet worden opgemerkt. Indien ik niets anders deed, dan die vijf bladzijden per jaar schrijven, dan zouden ze mij misschien professor hebben gemaakt of de prijs voor Letterkunde hebben gegeven, en zou in ieder geval de jongere generatie, die hard bezig is de lakens uit te deelen, mij hebben erkend. Maar omdat ik mijn brood bij elkaar schrijf, worden die vijf bladzijden niet gezien. Intusschen vervul ik naast mijn literatuur een sociale functie, ben ik mij bewust daadwerkelijk iets voor ons volk te doen, misschien meer dan de Heeren die met enkele verzen of enkele essays (die ik ook schrijf) hun beroemdheid halen, en verder in de café’s zitten.

Het was een bittere kreet van gefnuikte ambitie – maar ook een teken van trots op de sociale functie die Ritter inderdaad heeft gehad. Zulke onvermoeibare pleitbezorgers van de literatuur zijn er nadien niet veel meer geweest.

Alex Rutten. De publieke man. Dr. P.H. Ritter Jr. als cultuurbemiddelaar in het interbellum. Hilversum: Literatoren, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.