Literair erfgoedbeheer

Door onderzoeksgroep Teksteditie Literatuur in Vlaanderen (Universiteit Gent)

Dat een overheid zorgzaam omspringt met monumenten, gebouwen en begraafplaatsen is evident. Dezer dagen is het kabinet van de Vlaamse minister-president Geert Bourgeois in de weer met een dossier, voorgelegd aan UNESCO, met de betrachting soldatenkerkhoven in de Westhoek voortaan op te nemen in de lijst van het werelderfgoed. Een cultuurgemeenschap is het aan zichzelf én aan haar verleden verplicht belastinggeld te investeren in de restauratie en het permanente onderhoud van lieux de mémoire. Ook literaire teksten kunnen worden beschouwd als historische monumenten. In dat opzicht zijn het talige constructen uit een ver of nabij verleden die met de nodige zorgzaamheid moeten worden benaderd. Een blijk van zorgzaamheid is het nauwgezet conserveren van literaire nalatenschappen, zoals in het Letterenhuis (Antwerpen) en het Literatuurmuseum (Den Haag) gebeurt, een archief- en bibliotheekbeleid dat gericht is op literatuur én de academische studie van deze teksten. Met filologische acribie tekstonderzoek verrichten behoort tot het takenpakket dat universitaire letterkundige onderzoeksgroepen verplicht zijn aan de gemeenschap.

De onderzoeksgroep Teksteditie Literatuur in Vlaanderen (UGent) richt haar beleid sinds 2013 op tekstkritische studies, met aandacht voor tekstgenese en de constitutie van wetenschappelijk onderbouwde leesteksten. Sindsdien wordt in de schoot van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte aan literair monumentenbeheer gedaan. De universitaire gemeenschap heeft de oprichtingsakte van TLIV niet alleen gehonoreerd, de visitatiecommissie loofde in haar rapport van enkele jaren geleden de werking. TLIV is een performant studiecentrum van de universiteit. Recent zijn teksten van onder anderen René de Clercq, Paul de Vree en Remy C. van de Kerckhove in een tekstkritische editie aangeboden. Eerder is al ingezet op experimentele poëzie van Vlaamse schrijvers, onder wie Albert Bontridder, Gust Gils (twee delen), Paul Snoek & Hugues C. Pernath, Marcel van Maele en Marcel Wauters. Deze tekstuitgaven maken deel uit van de reeks Experimentele literatuur in Vlaanderen, waarin gepubliceerd en/of gebundeld werk van stilaan vergeten of ten onrechte minder gelezen schrijvers is opgenomen. Literatuurexperts verbonden aan departementen Nederlands van verschillende universiteiten schrijven een interpretatief nawoord opdat de brug met een hedendaags publiek tot stand wordt gebracht. Ook een andere reeks onder de auspiciën van TLIV, Literatuur in Vlaanderen 1900-1950 (Academia Press), zet in op parels van de Vlaamse letteren die door de mazen van de literatuurgeschiedenis verdwijnen: Daan Boens, Victor J. Brunclair, Joris Vriamont, binnenkort Raymond Brulez (André Terval of Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid) en begin volgend jaar Wies Moens met de humanitair-expressionistische dichtbundels.

Niet alleen de editiereeksen dragen bij tot een literair erfgoedbeheer. In opdracht van en met de financiële steun van genootschappen, vooral omdat NWO en FWO-Vlaanderen op dat gebied schromelijk tekortschieten, worden tekstuitgaven bezorgd. Recent waren er de editie van de bundels Toortsen, De noodhoorn en Uit de diepten van René de Clercq (René de Clercqgenootschap) en een nieuwe tekstuitgave van Het leven en de dood in den ast (in opdracht van uitgeverij Lannoo en met de steun van het Streuvelsgenootschap). Samen met het Cyriel Buyssegenootschap wordt sinds 2016 gewerkt aan een Cyriel Buyssebibliotheek met intussen Tragedie en andere vroege verhalen (2016) en Mea culpa (2018). Eind dit jaar wordt een anthologie uit de verhalenbundels Lente en Uit de bron klaargemaakt. Verder staan op stapel: Het leven van Rozeke van Dalen (deel 4) en De nachtelijke aanranding en Van hoog en laag (deel 5). De doelstelling van deze institutionele samenwerking is verschillende aspecten van Buysses schrijverschap onder de aandacht te brengen.

Doorgaans doorstaan literaire teksten de tand des tijds niet. De literatuurgeschiedenis is een groot vergeetboek. Wat blijft, zoals canonieke teksten, verdient filologische zorgzaamheid. Door in te zetten op het literaire erfgoed, en terug te grijpen naar de editio princeps van teksten, worden bronnen in hun historiciteit hersteld en aangeboden aan een hedendaags lezerspubliek. TLIV, in het Nederlandse taalgebied de enige onderzoeksgroep die zich met tekstkritische uitgaven specifiek richt op de Vlaamse literatuurgeschiedenis, tracht a rato van vijf of zes edities per jaar schrijvers en vooral hun teksten een nieuw leven te geven. Meestal zijn eerste drukken alleen antiquarisch op te sporen, bibliotheken hebben de titels afgeschreven of in weinig toegankelijke depots ondergebracht. De romans en dichtbundels maken niet langer deel uit van de publieke (bibliotheek)ruimte. In sommige gevallen zijn alleen tekstcorrupte uitgaven op de markt, vaak gewoon overgenomen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, en de auteurs zijn alleen nog maar namen. Gesprekken met de DBNL leiden ertoe dat op termijn tekstuitgaven bezorgd door TLIV zullen worden gedigitaliseerd en tekstversies vervangen die nu online staan.

Het belang van de teksteditie wordt beter niet betwist. Of anders gezegd: de relevantie ervan zou in literatuurwetenschappelijke gremia buiten kijf moeten staan. Literatuuronderzoek dient uit te gaan van geautoriseerde tekstuitgaven. Het monnikenwerk dat gepaard gaat met tekstgenetisch onderzoek en tekstrestauratie wordt daarentegen schromelijk onderschat. Het is daarom van cruciaal belang, niet alleen wetenschappelijk maar ook maatschappelijk, dat een universiteit zich blijft inzetten voor het literaire erfgoed. In tijden van toenemende druk op de (letterkundige) neerlandistiek kan dat niet genoeg worden benadrukt. Werken aan een editie, van de transcriptie tot het tekstvergelijkend onderzoek, is intensief en vergt filologische nauwgezetheid. Literatuurwetenschappers worden niet meer opgeleid in het specialistische vakgebied van de moderne editiewetenschap. Om te functioneren in de neerlandistiek hoef je vandaag trouwens ook geen diploma Nederlandse taal- en letterkunde meer te bezitten. Punten en komma’s zijn meestal niet aan onderzoekers van vandaag besteed.

Voor de volgende jaren staan weer nieuwe projecten op stapel. Naast de Buyssebibliotheek worden in de reeksen Literatuur in Vlaanderen 1900-1950 en Experimentele literatuur in Vlaanderen tekstuitgaven voorbereid die oude titels op afgestofte boekenplanken zullen zetten. Zo wordt ingezet op de poëzie van Paul Snoek, met een editie van de trilogie Hercules, Richelieu en Nostradamus. In het fonds van Poëziecentrum verschijnt tegelijk een studieboek met close-readings van gedichten(reeksen) uit vermelde bundels. Teksteditie en studie van de poëzie gaan een verbond aan. Verder staan nog bijzondere uitgaven op het getouw: de editie van Nic van Bruggens gebundelde poëzie én in opdracht van het Hugues C. Pernathfonds (Letterenhuis) een speciale uitgave over de poëzie van de Antwerpse dichter.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.