Gedicht: J.J.A. Goeverneur – Blinde verliefdheid

Blinde verliefdheid
Een gesprek

Ik: Och vriend, och laat u raden: zie af nog van die meid.
Hij: Dat is: zie af van t leven? Gij vergt geen kleinigheid.
Ik: Ze heeft een slecht karakter; vraag het aan iedereen!
Hij: Dat zij niet schoon zou wezen, hoorde ik nog van geen een.
Ik: Ze ziet met lachende oogen al, wie maar jong is, aan.
Hij: Dan doet zij als de sterren, die aan den hemel staan.
Ik: En stort ze al somtijds tranen, ’t is valschheid en bedrog.
Hij: ‘k Zag veel fonteinen springen, maar nimmer schooner nog.
Ik: Wat hare lippen spreken, is al boos overleg.
Hij: Nooit gingen booze woorden dan wel een schooner weg.
Ik: ’t Is algemeen het zeggen: licht was ze eens, — en ’t schijnt waar.
Hij: Ik draag haar op de handen, dan valt zij mij nooit zwaar.
Ik: Haar fraaie, blanke tandjes, zijn maaksel uit Parijs.
Hij: Staat ‘elpenbeen’ niet hooger dan ‘menschenbeen’ in prijs?
Ik: Men wil, ook niet natuurlijk, is op haar wangen ’t rood.
Hij: Dan zal zij nooit verbleeken, en bloeit tot aan haar dood.
Ik: Maar, vriend, wil toch bedenken, ze heeft geen cent aan goed.
Hij: Liefde is de hoogste rijkdom; zij maakt ook de armoe zoet.
Ik: En voert zij de pantoffel — wat dan, o trouwe held?
Hij: Wil zij me als slaaf, dan ruim ik nog voor geen koning ’t veld.
Ik: Voor eene uit lage klasse hebt ge u zoo diep gebukt?
Hij: Zij kan zoo laag niet wezen, die mij zoo hoog verrukt.
Ik: Neem haar dan voor den drommel! We zullen de uitkomst zien.
Hij: Is uit de preek dus? — Amen! Welnu het zal geschiên.

J.J.A. Goeverneur (1809-1889)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.