Gedicht: Halbo C. Kool – Kantoorwerk

Kantoorwerk

Morgen

Het hazeslaapje van de snelle stad
maar slecht en half haar oogen uitgewreven,
stuurt zij de fiets alweer langs ’t vaste pad
naar het kantoor, waarvan zij schriel moet leven;

reeds door den drom der fietsers ingevat
ziet zij het aanvangsuur haast aangegeven
op klok na klok, wanneer de blik nog nat
is van de tranen, uit haar droom gebleven —

het is klokslag, een pas of wat nog even
met buitenlucht haar longen volgedreven
en ’t is alsof zij hier van gister zat:
haar handen dansen op de toetsen, rad
gelijk de rappe voeten moesten zweven
langs een parketvloer, vullend blad na blad.

Halbo C. Kool (1907-1968)

‘Middag’, ‘Avond’ en ‘Nacht’ staan hier.

———————————–