Een compliment verdient een dankjewel, of niet?

Door Lucas Seuren

Totaal ongerelateerd aan de recent verschenen studie over de frequentie, of beter gezegd infrequentie, waarmee we in het dagelijks leven dankjewel zeggen, publiceerde de Amerikaanse nieuwsblog Slate vorige week een artikel, waarin de auteur bespreekt hoe lastig complimenten zijn. Vrouwen krijgen regelmatig te horen dat ze gewoon moeten leren complimentjes te accepteren, maar stelt ze, verwijzend naar een recente column in de NY Times, ook mannen accepteren complimenten weinig. Ze presenteert dit als een recente ontdekking, en verwijst daarbij naar een website van de University of Minnesota, maar nieuw is deze observatie zeker niet (zoals ook blijkt uit de vele studies op die website).

Maar wat maakt complimenten nu eigenlijk zo lastig. Waarom zeggen mensen vaak niet simpelweg dankjewel, maar proberen ze het compliment af te zwakken of zelfs geheel af te wijzen? Gezien de vele studies naar complimenten is het verrassend dat juist daar zo weinig onderzoek naar is. Zelfs binnen de conversatieanalyse, het vakgebied met een focus op onder andere hoe mensen hun sociale relaties opbouwen en onderhouden in interactie, is er vrijwel niks gezegd over complimenten.

Confirmation Bias

De voornaamste reden is – denk ik althans – een vorm van confirmation bias. Eind jaren 70 publiceerde Anita Pomerantz een reeks artikelen over evaluaties (assessments). Hierin liet ze zien dat taalhandelingen vaak twee soorten reacties projecteren: een geprefereerde en een gedisprefereerde. Zo kan je een ja/nee-vraag bevestigen (geprefereerd) of juist ontkennen (gedisprefereed), en je kunt een verzoek inwilligen (geprefereerd) of afwijzen (gedisprefereerd). Bij evaluaties stelt Pomerantz is overeenstemming normaliter geprefereerd; dus als iemand zegt dat hij of zij iets mooi vindt, dan is het de bedoeling dat je laat zien dat je het studieobject ook mooi vindt.

Als we die lijn doortrekken naar complimenten, dan zou je verwachten dat een geprefereerde reactie overeenstemming is en dat je dus moet zeggen dat je je outfit, kapsel, of schoenen ook mooi vindt. Maar, zegt Pomerantz, er zijn handelingen waarbij die preferentie wordt omgedraaid: zelfkritiek en complimenten. Bij zelfkritiek is het de bedoeling dat je gesprekspartner het juist niet met je eens is. Zo ga je tegen je zoontje na een verloren tenniswedstrijd over het algemeen niet zeggen dat hij inderdaad er niks van kan en beter kan stoppen. Evenzo is er een norm dat je niet opschept en het bevestigen van een compliment kan natuurlijk worden gezien als een vorm van opscheppen. Dat doen we dus liever niet; beter is om het compliment wat af te zwakken.

Wat is nu precies de confirmation bias? Heel simpel. Pomerantz maakte deze claims veertig jaar geleden en sindsdien heeft vrijwel niemand er vraagtekens bij geplaatst. Onderzoekers zien een compliment dat wordt afgezwakt als bevestiging van de norm, terwijl de complimentjes die niet worden afgezwakt direct op de stapel afwijkende gevallen gaan; daar is ongetwijfeld een reden dat sprekers afwijken van de norm. De norm zelf, daar wordt niet aan getornd. Het is in zekere zin hetzelfde probleem als we zien in veel kwantitatieve methoden zoals bij (sociale) psychologie: eenmaal gepubliceerd krijgt een resultaat de status van feit en niemand die ooit nog gaat kijken of het wel klopt.

Duits

De enige studie die ik verder over het onderwerp ken is van Andrea Golato, een Duitse taalkundige die onderzoek deed naar complimenten in het Duits. Zij stelt dat, tegengesteld aan de verwachtingen van sprekers en de resultaten van introspectiestudies, Duitsers in de overgrote meerderheid van de gevallen complimenten accepteren. Dat doen ze weliswaar nooit door danke te zeggen – wat de auteurs achter het dankje-artikel vast leuk zullen vinden – maar door overeenstemming te geven met ja en het compliment zelf te evalueren. Dit kan natuurlijk een cultuurverschil zijn tussen het Amerikaans en het Duits, maar het roept wel de vraag op in hoeverre één studie uit de jaren 70 gezien moet worden als leidraad bij alles wat we nu doen. Zeker als blijkt dat die studie ook zonder enige kritische noot op andere talen wordt toegepast.

Golato geeft een mogelijke verklaring voor de verschillende bevindingen: Amerikanen zouden om de haverklap complimenten geven. Waar je ook bent, wildvreemden kunnen op je af komen en je complimenteren met van alles en nog wat – iets wat ironisch genoeg de aanleiding is voor juist de discussie die wordt genoemd door Slate. Amerikaanse complimenten zijn dus anders dan Duitse complimenten. Althans, dat is waar Golato op uitkomt. Bij een gebrek aan onderzoek is het speculeren, en een van de belangrijkste punten van Golato’s onderzoek is dat wat mensen denken over complimenten nu juist vaak niet klopt.

Prescriptie

Als het klopt, heeft het gevolgen voor de adviezen die in Slate worden gegeven. De auteur bekritiseert bijvoorbeeld het idee dat complimenten gebruikt kunnen worden om een gesprek te starten, want dan zouden ze niet oprecht zijn. Maar als iedereen binnen een taalgemeenschap weet dat ze niet oprecht zijn, en laat zien dat ze begrepen worden als techniek om een gesprek aan te knopen, dan is dat natuurlijk volstrekt geen probleem. Waarom zou een vraag, waarmee je immers veronderstelt dat de ander jou van persoonlijke informatie moet voorzien, een sociaal acceptabeler middel zijn om een gesprek te starten? Toch is dit wat de auteur voorstelt.

Verder kun je moeilijk tegen mensen zeggen dat ze complimenten maar wat vaker moeten accepteren. Dat veronderstelt dat alle complimenten equivalent zijn, en dat de context en sociale normen en conventies niet van belang zijn. Er zijn redenen dat we complimentjes afzwakken, en geen enkele vorm van prescriptie gaat daar iets aan veranderen. Het is tegennatuurlijk om van mensen te verwachten dat ze zich gedragen in strijd met hun cultuur. Als je wilt dat mensen anders reageren op complimenten, zoek dan eerst uit waarom we complimenten geven, wanneer we dat doen, en wat we ermee bereiken door ze af te zwakken, dan wel te accepteren. Dan kunnen we daarna wel wat doen aan de zogenaamde valse bescheidenheid. Al betwijfel ik dat daar ook maar enige noodzaak toe is.