Doorgeefluiken en leessensaties

Terugblik op een programma met literaire alumni aan de Universiteit Gent

Door Yves T’Sjoen

Het voorbije academiejaar gaf de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent een vrijgeleide. Met de benodigde pecunia mochten we ter gelegenheid van de viering van twee eeuwen Universiteit Gent een voordrachtenreeks met literaire alumni op het getouw zetten. In totaal achttien romanschrijvers en dichters passeerden tussen oktober en mei de revue. Zij spraken met elkaar over hun studentenjaren, schreven speciaal voor de gelegenheid een verhaal of een autobiografische tekst en traden in discussie met een publiek van hedendaagse studenten en andere literatuurliefhebbers. Het feest van de letteren had plaats in het faculteitsgebouw, met aan de weinig florissante gevel een strofe van Karel van de Woestijne (uit De boom-gaard der vogelen en der vruchten, 1905):

Wat is het goed aan ’t hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verre’ of naêren lach te meten,
en, te elken avond weêr het kommer-brood gegeten,
weêr blij te mogen rijze’ in iedren morgen-schijn,
deed nieuwe liefde-lach het oude leed vergéten.

Campus Boekentoren wordt in het straatbeeld gemarkeerd door poëzie. En zo hoort het ook. Schrijvers, jong en oud, beklommen de voorbije maanden op uitnodiging van de faculteit de molshoopgrote Blandijnberg vlakbij het Sint-Pietersplein. De auteursgesprekken zijn in nauwe samenwerking met de studentenvereniging Filologica georganiseerd.

Lofrede voor bevlogen ex-cathedraonderwijs

De inbreng van Germanisten, Romanisten, Slavisten, historici en kunstwetenschappers was zeer uiteenlopend. Wat bijblijft zijn de lectuur uit eigen werk, zoals een performance door Tom Lanoye en gedichten van Inge Braeckman en Miriam Van hee, de avant-première van een nieuw boek (Johan De Boose, Erwin Mortier, Jeroen Theunissen), een geestige “academische” lezing door Pol Hoste als contrast met historica-columniste Heleen Debruyne, een verhaal over de eigen studententijd (Herman Brusselmans, Caroline de Mulder) of de confronterende ‘Brief aan Europa’ van Stefan Hertmans. Daarna volgden steevast geanimeerde gesprekken met de auteurs.

Vaste onderwerpen waren de rol van de universiteit in de maatschappij, het belang van het letterkundig onderwijs, de betekenis van de studiejaren als fundament van een schrijverschap. Sommigen haalden herinneringen op aan colleges van proffen en assistenten van weleer. Het was niet steeds een verkwikkende walk down memory lane, geen kleffe terugblikken. Niet elke studentenpassage liep over rozenblaadjes.

Wat is bijgebleven na acht gespreksavonden zijn de getuigenissen over academici die bevlogen, met passie voor hun vak en met aanstekelijke eloquentie, de studenten meenamen op een ontdekkingsreis door de literatuur van een taalgebied. Professoren met open geest, bespraakt en hoffelijk, die meermaals door hun oud-studenten op schier dithyrambische wijze zijn geloofd voor hun kennis en kunde. Collega’s, inmiddels met emeritaat, onder wie Anne Marie Musschoot (Nederlands), Jaak de Vos (Duits) en Kristiaan Versluys (Amerikaans-Engels), slaagden er volgens literair getalenteerde oud-studenten in op beklijvende manier en in steeds weer geanimeerde betogen te spreken over literaire onderwerpen. Ann de Craemer en Annelies Verbeke roemden de colleges over Saul Bellow, John Irving en Philip Roth, meteen de reden waarom zij die Amerikanen gingen lezen. Guido van Heulendonk en de veel jongere Tom van de Voorde koesteren warme herinneringen aan de collegereeksen van Musschoot, over Van Nu en Straks en Van de Woestijne, en later over postmoderne schrijvers in het Nederlandse taalgebied. Er is door Jeroen Theunissen en Charlotte van den Broeck met liefde gesproken over gepassioneerde verhalen van Jaak de Vos over Duitse letteren. Charlotte begon haar optreden indrukwekkend met een gedicht van Paul Celan, gememoriseerd tijdens haar studiejaren. Méér dan de annalen van Academia kunnen meedelen, zijn die getuigenissen een uitdrukking van bewondering en erkentelijkheid. Bewondering voor de bevlogenheid waarmee zij als studenten op sleeptouw zijn genomen door de literatuurgeschiedenis in uitgesponnen verhalen die zich wekenlang aaneenregen. Tom van de Voorde herinnerde zich Musschoots lectuur van een gedicht van Gilliams: de intonatie en de mimiek (“die geheven arm”) gaven hem toegang tot de tekst. Hij sprak nog net niet over een betovering.

Lezen om te leren

Voor velen hadden de collegereeksen de waarde van een creatieve trigger. Tijdens de studententijd schreven zij eerste gedichten, een kort verhaal, de aanzet voor een roman. Meer dan een cursus creatief schrijven, waar de meeste auteurs nogal sceptisch tegenover staan, zijn het de geanimeerde vertellingen in het auditorium die bijblijven. Begeestering kwam telkens terug als voedingsbodem voor indrukwekkende literatuurlessen. Indien schrijver-alumni al een hekel hadden aan de letterkundige opleiding, dan had het te maken met monotonie en zelfbegoocheling van proffen, eindeloze papers, verstikkende formaliteiten. Filip Rogiers riep de studenten op vooral te lezen, zich in colleges te laven aan de bronnen die ter sprake worden gebracht, waarover zij worden onderhouden, waaraan interpretaties worden gewijd. Els Moors, thans Belgisch Dichter des Vaderlands, brak een lans voor Roland Barthes’ jouissance van de literaire tekst. Het was voor de duidelijkheid niet alleen een koor van engelen dat we tijdens die gesprekken mochten beluisteren. Er waren ook verhalen over saaie lesgevers, overbodige schrijfopdrachten, te veel verplichte nummers.

Waar deze oud-studenten zich konden voeden aan indringende inzichten van gretig lezende en ronduit vertellende docenten, niet gehinderd door veel plamuur uit de literatuurtheoretische bijkeuken, wenkte voor de meesten een eerste morgen. Of zoals Van de Woestijne dichtte en op de frontgevel van het faculteitsgebouw prijkt: “blij te mogen rijze’ in iedren morgen-schijn”. In het licht van de rationalisering van het hoger onderwijs is het noodzakelijk, na deze onderhoudende bekentenissen van literaire alumni, weer eens de lof te zingen van het begeesterende college, het inzichtelijk literair-historisch verhaal, een episodisch opgevat narratief over poëzie en poëtica. Ik durf hier het woord apologie haast niet uit te spreken. Misschien nodigen nieuwe ambities van zelfverklaarde academische managers stilaan uit, steevast voorzien van retorische arsenalen met termen zoals competenties en evaluatievormen, om van de verdediging van het inspirerend hoorcollege te gewagen. Vonken doorgeven, out of the box-denken, liefde voor de letteren bijbrengen: dat vermogen hoorzittingen in de collegezaal. Studenten de liefde voor taal en letteren bijbrengen. Dat is een missie. Nog steeds. En het wordt niet gemeten in evaluatieformulieren.

Met dank aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, de vakgroep Letterkunde, het Vlaams Fonds voor de Letteren én de studentenvereniging Filologica (UGent). Het programma is met de onontbeerlijke steun van Elke Gilson aangeboden door de Permanente Vorming Letterkunde van de Universiteit Gent.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.