De sturende kracht van zinsstructuren

Door Luck van Leeuwen en Julia Naaborg

Het traditionele rede- en taalkundig ontleden verkeert al decennia nagenoeg in een impasse: nieuwe inzichten binnen het wetenschapsgebied dat onderzoek doet naar zinsstructuren, syntantix, vinden nauwelijks hun weg naar het middelbaar onderwijs. Basisboek syntaxis van Henk Wolf, dat vorige week is verschenen, wil die leemte opvullen.

Wolf heeft het boek voor een brede doelgroep geschreven, zowel voor studenten en docenten, alsook voor leerlingen uit de hoogste klassen van de havo en het vwo. Daarmee is de doelstelling tweeledig: enerzijds wil het een methode zijn dat geschikt is om leerlingen kennis te laten maken met syntaxis, anderzijds beoogt het een boek te zijn dat goed leesbaar is voor studenten en docenten wiens kennis van ontleden ‘stoffig’ is geworden. In hoeverre slaagt dit werk erin deze driedubbele doelgroep te bereiken?

Vernieuwend en geschikt

Wolfs boek is om verschillende redenen een vernieuwende en geschikte methode in ontleedonderwijs. Vernieuwend omdat Wolf onder het mom van ‘inzicht in plaats van trucjes’ laat zien dat het belangrijker is om onderliggende talige structuren te herkennen op basis van begrip dan door het stampen van ezelsbruggetjes. De ezelsbruggetjes die erin staan, dienen enkel ter ondersteuning en zijn in Wolfs methode geen fundament van ontleedonderwijs.

Hij geeft eerlijk aan dat het grammaticaonderwijs geen ‘direct praktisch nut heeft’, maar laat overtuigend zien dat inzicht in zinsstructuren wel gebruikt kan worden om het Nederlands te vergelijken met andere talen en het zelf schrijven van teksten. Wolf geeft het voorbeeld van de Russische persoonsvorm, waaraan je vaak kunt zien of het onderwerp een man of vrouw betreft. Dat blijkt consequenties te hebben voor het vertalen van thrillers, want vertalers Nederlands-Russisch moeten daardoor creatief aan de slag om bijvoorbeeld te verbergen of de moordenaar een man of een vrouw is. Hiermee verrast hij lezers en laat hij het verschil tussen diverse talen zien, maar ook dat (de eigen) taal een bril is die je op een gestuurde manier naar de wereld en werkelijkheid laat kijken.
Basisboek syntaxis is naast een vernieuwend ook een didactisch bruikbaar werk, omdat de structuur glashelder is. Dit komt door de consequente opbouw van de hoofdstukken die steeds beginnen met uitleg, afgewisseld door inzichtvragen en opdrachten, gevolgd door krachtige samenvattingen. De begrijpelijke, veelal gevisualiseerde metaforen concretiseren lastige termen, zoals het ‘mentale lexicon’.

Geen onmisbaar studieboek

Als methode is Basisboek syntaxis geschikt voor middelbare scholieren, al is hoofdstuk 14 een vreemde eend in de bijt. Deze is nadrukkelijk geschreven voor docenten Nederlands (in opleiding) en biedt nuttige opties om syntactische begrippen uit te leggen in de klas, zonder te vervallen in clichés of lange uitweidingen. Hij spoort docenten aan leerlingen te verwonderen over de werking van taal in het brein, in plaats van ze te overspoelen met begrippen. Zodoende is het een basisboek, dat zich uitstekend leent voor didactische doeleinden. Het is echter écht een basisboek, en niet zoals op de flaptekst beweerd wordt ‘voor studenten Nederlands in het hbo en aan de universiteit […] een onmisbaar studieboek’.

Het taalgebruik

Het taalgebruik is voor studenten Nederlands op sommige plekken storend kinderlijk, onder andere door de onnodige toepassing van verkleinwoorden. Ook de woordkeuze past niet altijd bij een aan studenten Nederlands gericht studieboek. Zo is menig ‘Sint Axis’, ‘woordzoekertje’ en ‘slimme speurneus’ de revue gepasseerd. Hoewel in de loop van het boek de toon serieuzer wordt, raakt Wolf door deze taalkeuzes in de eerste hoofdstukken de wetenschapper-in-spé een beetje kwijt.

Daarnaast zijn de vermeende ‘nerdenweetjes’ voor studenten vaak verplichte kost, waardoor deze term duidelijk op scholieren is gericht. Zo wordt op pagina 33 in een nerdenweetje genoemd dat de afkorting V2 door taalkundigen wordt gebruikt om te benoemen dat de persoonsvorm het tweede zinsdeel is. Dit lijkt ons voor beginnende taalkundigen elementaire kennis.

Tot slot is het vanuit didactisch perspectief begrijpelijk dat Wolf wat betreft de ontwikkelingen binnen het vakgebied van de syntaxis stopt bij een marginale bespreking van het werk van Chomsky en de used based grammar van onder meer Tomasello onbesproken laat. Dit gebrek aan diepgang zorgt er echter mede voor dat Basisboek syntaxis voor de student wat betreft traditioneel ontleden een naslagwerk is, en geen volledig en diepgravend studieboek.

Tot besluit

Basisboek syntaxis is absoluut een vernieuwende methode voor middelbare scholieren en een goed naslagwerk voor docenten. Hoewel Wolf de in de inleiding geponeerde doelstelling om de verstofte kennis van syntaxis van studenten op te frissen waarmaakt, heeft hij geen ‘onmisbaar studieboek’ geschreven. Wolfs werk is ontzettend leuk om te lezen, en het is aan te raden aan een ieder die graag op de hoogte blijft van nieuwe didactische perspectieven op het (traditionele) taal- en redekundig ontleden.

Henk Wolf. Basisboek syntaxis. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

 

Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas, recensies, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op De sturende kracht van zinsstructuren

  1. Dank voor de tip en de uitgebreide recensie, al weet ik nu nog niet zeker of ik het aan wil schaffen…
    Jullie schrijven ‘Hij geeft eerlijk aan dat het grammaticaonderwijs geen ‘direct praktisch nut heeft’.

    Dat praktische nut is er naar mijn idee wel degelijk, namelijk voor creatief/overtuigend schrijven. Om een tekst levendig te houden, is het nodig om te variëren en dat is veel makkelijker als je namen hebt voor de verschillende soorten woorden en zinsdelen en je in één oogopslag de zinsstructuur herkent. Veel stijlfiguren zijn bovendien gebaseerd op syntactische constructies, zoals ‘asyndeton’, een constructie zonder voegwoord. Je moet om die figuur te kunnen toepassen wel weten wat een voegwoord is.

    In de klas zou je leerlingen hierin kunnen laten oefenen. Ze krijgen bijvoorbeeld een schrijfopdracht met als eis om in het verhaal verschillende zinsstructuren en stijlfiguren te gebruiken. Ze merken dan als het goed is dat de tekst interessanter wordt.

Reacties zijn gesloten.