De psalmen van de moeder

Door Jos Joosten

Geboren als schipperskind heb ik me altijd over één passage in de Nederlandse poëzie verbaasd. In Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ beschrijft de dichter, zoals bekend, hoe hij in het gras aan de Waal ligt, zijn thee drinkend. Er vaart een schip voorbij, waarop hij een vrouw ziet staan.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

Volgens mij werd er nog nooit gewezen op het volstrekt onaannemelijke van juist deze ervaring. In werkelijkheid had Nijhoffs ‘moeder’ een flinke geluidsinstallatie ter beschikking gehad moeten hebben om met gezang op de rivieroever hoorbaar te zijn. De Waal is de breedste rivier van het land, met gemiddelde breedtes (afhangend van de waterstand) van 200 tot 400 meter. Het schip vaart buiten de kribben in de vaargeul, dus een flink eind van de oever vandaan. Feitelijk is Nijhoffs beeld onmogelijk (je ziet hoe snel iedereen verandert in een vintage Maarten ’t Hart, als je toevallig iets weet van vroeger).

Vanochtend schrijft Peter-Arno Coppen in zijn taalrubriek in ‘Trouw’ over de taalkundige constructie van de tweede geciteerde versregel: ‘wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’. Coppen legt uit dat Nijhoff het ‘onderwerp “geëxtraheerd” heeft uit de bijzin’ en hij concludeert: ‘Nijhoff zoekt hier de grens op en rekt de taal een beetje uit’. Een correcte waarneming, lijkt me.

En vanochtend wist ik ineens ook waarom. Coppen schrijft terecht: ‘de bijzin betekent: “wat zij zong waren psalmen”‘. Maar dat schrijft Nijhoff dus niet. Waarom niet? Omdat hij dat in werkelijkheid met geen mogelijkheid gehoord kan hebben! Door de ingebedde constructie wordt het bewust tot de individuele ervaring van de dichter. Het gaat er in deze versregels helemaal niet over hoe het objectief wás (misschien zong de vrouw wel helemaal niks), maar inderdaad over wat de dichter – en hij alleen, innerlijk – subjectief hóórde. En het is bij uitstek een dichter uiteraard volledig toegestaan om zowel taal als werkelijkheid naar eigen welbevinden op te rekken en alle grenzen op te zoeken.

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

14 Responses to De psalmen van de moeder

  1. In het boek ‘De Sleutel’ (2014) geeft Paul Claes als achtergrond van het gedicht, dat Nijhoff het had gebaseerd op een verhaal van de clavecinist Hans Philips die op de brug had gelopen en een in het zwart geklede vrouw psalmen had horen zingen. Nijhoff putte dus niet uit eigen ervaring.

    Vanaf een brug kun je denk ik wel horen of iemand psalmen zingt (misschien iets voor een Mythbusters-achtig experiment) of ‘Le cul du verre’.

    De regel ‘en wat zij zong hoorde ik wat psalmen waren’ is denk ik vergelijk baar met ‘om mijn oud woonhuis peppels staan’, een voor die tijd gebruikelijke inversie om het rijm goed te krijgen. Denk ik, ik ben geen expert.

    Waarom Nijhoff de scène naar het gras heeft verplaatst is een raadsel.Claes suggereert dat 10 minuten in het gras liggen een metafoor is van het kortstondige leven, maar dat zou ook op de brug kunnen zijn (een brug is ook een doodssymbool). Mogelijk wilde hij het contrast tussen de actieve vrouw-moeder achter het roer contrasteren met een indolente man-jongen.

    Claes citeert ook een psalm: ‘De dagen des menschen zijn [kortstondig] als het gras.’ (Ps. 103:15). ‘Prijs God, zijn hand zal u bewaren’ is geen Psalm lijkt het.

    De thee uit ‘Mijn thee gedronken’ zou weleens kunnen slaan op de t van tijd. Of de th van Thanatos.

    • Jan Stroop schreef:

      U schrijft (per vergissing?) : “De regel ‘en wat zij zong hoorde ik wat psalmen waren’ “. Maar er staat: ‘en wat zij zong hoorde ik DAT psalmen waren’. En dat is wezenlijk wat anders

      • Mient Adema schreef:

        Dat viel me ook op, maar nou ja.
        Dan had hij kunnen (en moeten) schrijven “aan wat zij zong hoorde ik wat psalmen waren”. Ik heb het voor de aardigheid nog eens opgezocht maar “dat” was vast de bedoeling. Nijhoff fantaseert er blijkbaar nogal lustig op los.
        Intrigerend, is hij daar nou geweest of dichtte hij echt?

      • @Jan Stroop, ja dat was een vergissing.
        Maar het is toch een inversie van ‘En ik hoorde dat wat zij zong psalmen waren’?
        @Mient Adema,
        Paul Claes geeft geen bron, maar het is blijkbaar ergens gedocumenteerd dat het gebaseerd is op een verhaal van zijn vriend.

        In het grensgebied van taalfilosofie en literatuurwetenschap bestond een paar decennia geleden een discussie over het waarheidsgehalte van fictie. Iemand (David Kaplan?) kwam met het voorbeeld van een Sherlock Holmes-verhaal , ‘The Speckled Band’, waarbij de moord zou hebben plaats gevonden door een bepaalde Indiase adder die langs een bellenkoord het slapende slachtoffer bereikte. Adders kunnen echter helemaal niet om koorden kronkelen. Hieruit kun je concluderen dat ofwel (1) in de wereld van Sherlock Holmes kunnen adders wel degelijk langs koorden klimmen; (2) Holmes heeft de moord niet opgelost (3) het ging om een andere slangensoort.
        Dit is onbepaald door het verhaal.

        Bij Nijhoff zijn er ook verschillende interpretaties mogelijk. Het was ten tijde van het gedicht (1934) zeer wel mogelijk om gezang te versterken, bijvoorbeeld door de handen rond de mond te zetten. Het kan ook zijn dat het was zoals Claes schrijft: dat hij van horen zeggen heeft dat zij psalmen zong. Hij plaatst zichzelf op het gras terwijl zijn vriend op de brug staat.

        Apollinaire schrijft ergens dat het goed is als een gedicht enig mysterie heeft. Daaraan voldoet DMDV uitstekend.

        • Peter-Arno Coppen schreef:

          De inversie (van onderwerp ‘ik’ en persoonsvorm ‘hoorde’) is het gevolg van de extractie en vooropplaatsing van het onderwerp ‘wat zij zong’ uit de bijzin.

          Wat Jos Joosten suggereert is dat hierdoor het letterlijke ‘horen’ naar de achtergrond verdwijnt, om plaats te maken voor een soort ‘interpreteren achteraf’.

          • Mient Adema schreef:

            Als dat de inversie is die Wouter”van der Land bedoelt, dan begrijp ik zijn uitleg ook beter. Want “en ik hoorde dat wat zij zong psalmen waren” is dan niet een inversie van de dichtregel met het verkeerde “wat” maar met die met het juiste “dat”. Ik ging er bij zijn gebruik van de term inversie (=omdraaiing) wellicht ten onrechte van uit dat daarmee de zinsdelen wat beter (grammaticaal beter te begrijpen) door elkaar werden gehusseld.
            Ja, en de twee toegevoegde gedachten van de heer Coppen zijn me natuurlijk weer ( 🙂 ) uit het hart gegrepen.

            Er staat “de liederen waren psalmen, dat heb ik echt wel goed van haar gehoord, bedenk ik me nu”. .

          • DirkJan schreef:

            Ik interpreteer het ook als niet direct horen dat het psalmen waren, waardoor de dichter het toch best uit de verte kan hebben gehoord, als bij een vlaag en het toen herkende, want in de laatste zin wordt ook duidelijk wat hij hoorde en wat ze zong, hoewel dat ook op de moeder kan slaan.

            En dat de hand van God haar zal bewaren, kan ook een aanwijzing zijn dat de vrouw aan dek bewust niet aan, maar bij het roer staat.

            “en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
            O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
            Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.”

            Hier het hele gedicht:

            http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/nijhoff/moeder.htm

          • OK, ik snap jullie punt, denk ik. Maar ook zonder die verandering van de volgorde heeft ‘horen’ die mogelijkheid van ‘achteraf’. Ondubbelzinnig zou bijv. zijn: ‘het waren Psalmen’.

            De meervoudsvorm ‘psalmen’ suggereert ook abstractie/verbeelding. Normaal gesproken hoor je maar één psalm van een voorbijvarend schip.

          • Mient Adema schreef:

            Wat een heerlijk onderwerp om over voort te mijmeren eigenlijk.
            Een dichter begint zijn verhaal met waarschijnlijk een vette leugen (hij ging naar Bommel), zegt die-ie zowat 10 minuten in het gras ligt als hij uit de oneindigheid psalmen hoort, maar zonder erbij te vertellen hoe lang hij daar daarna nog gelegen heeft.
            Als je nagaat dat de psalmenzingers anno 1930 nu niet bepaald in rap tempo (of raptempo) te werk gingen, dan zou Nijhoff inderdaad maar dat ene lied dat hij gehoord heeft hebben kunnen horen en daarvan dan nog maar alleen één couplet van de vele erbijbehorende wellicht.
            Hij had dan alleen de breedte van de rivier mee en het schip dat juist zo langzaam stroomafwaarts voortbewoog.
            Psalmen geeft dan niet het meervoudige aan, maar de categorie muziek: het was geen jazz of hiphop, nee, psalmen.
            Je krijgt hoe langer hoe meer het idee dat hij een bepaalde denkwereld uitvergroot met in sommiger ogen onwaarschijnlijke details. Net een droom.

  2. Gerard van der Leeuw schreef:

    Natuurlijk werd er nooit gewezen op het onaannemelijke van deze waarneming. Daar gaat het toch ook helemaal niet om! (Ik laat hier helemaal in het midden dat water bij een goede windrichting het geluid veel verder draagt dan we meestal denken). Het gaat hier om een ervaring, al dan niet ‘werkelijk’ beleefd. Ik ben een jaar of twee geleden daar gaan kijken: inderdaad speciaal vanwege dit gedicht. `Nieuwe brug, veel verkeer, maar verder ongeveer zelfde situatie.
    En het was natuurlijk ook niet zijn echte moeder, die daar voer, maar ‘de moeder, de vrouw’…… och help, wat maken we daar weer een hoop lawaai over. Interessante vraag: waren het Psalmen, of psalmen….. Nijhoff kende natuurlijk zijn Psalmen, maar misschien bedoelt hij ‘psalmen’ precies als ‘moeder, de vrouw’?

  3. DirkJan schreef:

    Zegt de ene poëzievorser tegen de andere, – Ken je die mop van Martinus Nijhoff die naar Parijs ging? – Nee. – Hij ging niet! 🙂

Reacties zijn gesloten.