De psalmen van de moeder

Door Jos Joosten

Geboren als schipperskind heb ik me altijd over één passage in de Nederlandse poëzie verbaasd. In Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ beschrijft de dichter, zoals bekend, hoe hij in het gras aan de Waal ligt, zijn thee drinkend. Er vaart een schip voorbij, waarop hij een vrouw ziet staan.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

Volgens mij werd er nog nooit gewezen op het volstrekt onaannemelijke van juist deze ervaring. In werkelijkheid had Nijhoffs ‘moeder’ een flinke geluidsinstallatie ter beschikking gehad moeten hebben om met gezang op de rivieroever hoorbaar te zijn. De Waal is de breedste rivier van het land, met gemiddelde breedtes (afhangend van de waterstand) van 200 tot 400 meter. Het schip vaart buiten de kribben in de vaargeul, dus een flink eind van de oever vandaan. Feitelijk is Nijhoffs beeld onmogelijk (je ziet hoe snel iedereen verandert in een vintage Maarten ’t Hart, als je toevallig iets weet van vroeger).

Vanochtend schrijft Peter-Arno Coppen in zijn taalrubriek in ‘Trouw’ over de taalkundige constructie van de tweede geciteerde versregel: ‘wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’. Coppen legt uit dat Nijhoff het ‘onderwerp “geëxtraheerd” heeft uit de bijzin’ en hij concludeert: ‘Nijhoff zoekt hier de grens op en rekt de taal een beetje uit’. Een correcte waarneming, lijkt me.

En vanochtend wist ik ineens ook waarom. Coppen schrijft terecht: ‘de bijzin betekent: “wat zij zong waren psalmen”‘. Maar dat schrijft Nijhoff dus niet. Waarom niet? Omdat hij dat in werkelijkheid met geen mogelijkheid gehoord kan hebben! Door de ingebedde constructie wordt het bewust tot de individuele ervaring van de dichter. Het gaat er in deze versregels helemaal niet over hoe het objectief wás (misschien zong de vrouw wel helemaal niks), maar inderdaad over wat de dichter – en hij alleen, innerlijk – subjectief hóórde. En het is bij uitstek een dichter uiteraard volledig toegestaan om zowel taal als werkelijkheid naar eigen welbevinden op te rekken en alle grenzen op te zoeken.