Wat is er tegen een onwelle spreker?

Door Marc van Oostendorp

Een vraag die kwam opborrelen uit het Nederlandse volk: waarom kom je niet zeggen de niet goed snikke man? Het bijpassende antwoord vond ik op Facebook.

Bijvoeglijk naamwoorden kun je normaliter op twee manieren gebruiken: voor een zelfstandig naamwoord (‘attributief’), of in het naamwoordelijk deel van een gezegde (‘predicatief’):

  • Attributief: De slimme vrouw, het vrolijke kind, de gele autobus
  • Predicatief: De vrouw is slim, het kind is vrolijk, de autobus is geel.

Maar niet alle bijvoeglijk naamwoorden passen in dit schema. Er zijn er die alleen attributief gebruikt kunnen worden:De huidige minister-president, [uitgesloten:] de minister-president is huidig

  • Een voormalige hoogleraar, [uitgesloten:] deze hoogleraar is voormalig

Niet goed snik hoort kennelijk bij bijvoeglijk naamwoorden die juist alleen predicatief gebruikt kunnen worden (sommige voorbeelden kopieer ik uit de ANS):

  • Die man is niet goed snik, [uitgesloten:] de niet goed snikke man
  • Hun gewoonten zijn anders, [uitgesloten:] de anderse gewoonten
  • Na de wedstrijd waren ze bekaf, [uitgesloten:] de bekaffe spelers
  • De spreker werd onwel, [uitgesloten:] de onwelle spreker
  • Het boek is kwijt, [uitgesloten:] het kwijte boek
  • Die grietjes zijn teut, [uitgesloten:] de teute grietjes

Het Taalportaal zegt niet veel over deze kwestie, maar wijst er wel op dat er een grappig verschil is tussen klaar en kant-en-klaar:

  • Het eten is klaar, [uitgesloten:] het klare eten
  • Het eten is kant-en-klaar,  het kant-en-klare eten

Dit is wel heel curieus. Het zal vast iets met de geschiedenis van deze woorden te maken, maar dan blijft raar dat wij met ons allen na honderden jaren zijn blijven onthouden: dit bijvoeglijk naamwoord mag wel attributief gebruikt worden, maar niet predicatief, of omgekeerd. Alsof een kind voor ieder bijvoeglijk naamwoord apart moet leren dat je het in de ene context wel kunt leren en in de andere niet. Wat onlogisch! Zou het niet handiger zijn om te leren: dit is een bijvoeglijk naamwoord en dat mag je dus op alle mogelijke manieren gebruiken. Wat is er tegen een ‘onwelle spreker’? Zou dat niet handig zijn, als we dat ook konden zeggen?

Het gekke is ook nog dat al deze ‘onvolmaakte’ bijvoeglijk naamwoorden ook anderszins hun defecten hebben. Het is bijvoorbeeld ook raar om er een vergrotende of overtreffende trap van te maken. Je kunt voor mijn gevoel niet zeggen: Kees is nog niet goed snikker dan Koos’ of ‘Koos is onweller dan Kees’. (Ik geloof dat ‘Kees is nog meer niet goed snik dan Koos’ wel kan.)

Ik ging met deze vraag naar Facebook, en daar kwam na enige discussie dus een antwoord (het duidelijks gearticuleerd door Boban Arsenijevic): je kunt ‘niet goed snik’, ‘anders’, ‘bekaf’, ‘klaar’ en dergelijke het beste zien als bijwoorden, zoals hier of morgen. Die kun je ook best gebruiken in een naamwoordelijk gezegde, maar niet attributief:

  • Ik ben hier, [uitgesloten:] de hiere man
  • Het feest is morgen, [uitgesloten:] het morgene feest
  • Mijn vriend is weg, [uitgesloten:] mijn wegge vriend

Ook deze bijwoorden kun je niet in een vergrotende trap zetten.

De conclusie van deze redenering is dat het Nederlands dus bijwoorden en bijvoeglijk naamwoorden heeft en dat in naamwoordelijk gezegdes misschien alleen bijwoorden staan. Je moet van alle woorden leren of ze bijwoorden of bijvoeglijk naamwoorden zijn, en de meeste behoren tot allebei de klassen – maar niet allemaal.

Soms springen woorden kennelijk over van de ene categorie naar de andere. Rutger Kiezebrink wees er op dat netjes officieel ook alleen een bijwoord is, maar voor sommige mensen toch ook attributief kan worden gebruikt:

  • Zijn handschrift is netjes, [niet officieel:] een netjes handschrift

Maar precies netjes kan soms ook in een vergrotende trap komen te staan:

  • Mijn handschrift is netjeser dan dat van jou.