Mijn afgunst

Door Marc van Oostendorp

Gisteren verscheen het boekje Topstukken uit de collectie van het Privaat Leesmuseum, waarin Ewoud Sanders zijn verzameling beeldjes van lezende mensen toont (die beeldjes staan op zijn privaat), en 50 schrijvers een stukje hebben geschreven over lezen. Gisteren hadden we al een voorpublicatie. Hier is mijn stukje.

Geen makkelijker manier om mij jaloers te maken dan door ergens te gaan zitten lezen. Het is een lentedag, de eerste dag dat jongens en meisjes buiten kunnen zitten zonder dat het onaangenaam is, maar helaas moet ik door het park lopen van de ene vergadering na de andere. En dan ga jij pontificaal op een terras zitten met een dik boek, waarin je ongeveer op een derde bent. Je vindt het kennelijk mooi, anders was je nooit zo ver gekomen. En je hebt nog een heleboel voor de boeg, je kunt daar blijven zitten tot het koud begint te worden.

Bij heel veel van de gelukkigste momenten in mijn leven had ik een boek bij me. Ja, ik ben natuurlijk getrouwd, dat was ook mooi, maar de gewone, alledaagse momenten dat ik ineens doorstroomd werd door een geluksgevoel – ik denk niet dat er één is geweest waar er op minder dan 2 meter afstand van mijn hongerige ogen een boek was. De avond dat ik in een supersnelle trein van Marburg door duister Duitsland naar het noorden reed, met een historische roman. De middag dat ik mezelf vrijaf had gegeven om op een bankje op het Amsterdamse Spui de nieuwste novelle van Philip Roth te lezen. Het moment dat eindelijk uit een ver buitenland een studie arriveerde over een taalkundige theorie die me belangrijk leek. Je leest weleens dat mensen terugverlangen naar de intense leeservaringen uit hun jeugd. Ja, toen konden ze nog echt opgaan in een boek! Urenlang zaten ze onder een eikenboom met de Zauberberg in de hand, terwijl ze nu alleen maar af en toe wat grasduinen in de nieuwste Tommy Wierenga.

Zo zit mijn leven helemaal niet in elkaar. Ik heb het idee dat ik steeds beter ga lezen. Misschien is het waar dat ik me ooit meer liet meeslepen door een boek, dat ik onbevangener was. Maar wat dan nog: nu klinken er duizenden andere boeken mee in mijn hoofd, nu doorzie ik beter wat voor trucjes schrijvers gebruiken, nu kom ik makkelijker en dichter bij de kern. Behalve ikzelf heeft niemand daar wat aan, dat ik nu zoveel beter lees. Die boeken verdwijnen in mijn binnenste en het maakt eigenlijk niet uit hoe ze daar aankomen. Maar het maakt mijn lezen juist steeds intenser.

Word ik dan niet afgeleid door de mobiele telefoon? Gek genoeg heb ik ook die ervaring niet. Althans, ik word wel afgeleid, maar niet van het lezen. Ik vind dat apparaat juist een enorme aanwinst, omdat je er ook boeken op kunt lezen: stel het apparaat in op grote letters, en ieder anders verloren moment kun je besteden aan nog snel in een gratis van internet binnengehaalde roman van Charles Dickens te snuffelen.

De enige manier waarop het me wél afleid: dat ik nu ook jaloers ben op wie er ook maar op zijn mobieltje kijkt op een zomers terras – die zit dan vast te lezen.