Gedicht: Henk van der Waal – Liefdesgemoed

Uit Door alle honderd harten wit te kalken, de nieuwe bundel van Henk van der Waal.

Liefdesgemoed

Niets ten nadele van de kraai, de ransuil
of de ekster, maar soms grijpt hun kreet je
naar de keel en word je somber als hun
herhaalde krassende gekrijs
je duidelijk maakt dat geen geluid
hen los kan koppelen van hun
gevederd lijf

jij produceert eenzelfde grijze klacht
als alles wat je bent zich schuilhoudt voor
je blik en de natuur daarbovenop met
noodlotskracht je ledematen schikt

het gepoch en het geblaat dat
in die toestand van je lippen spat
is averij en maakt de wereld stuk, want
wat niet bindt en perkt en inkeert in zichzelf
is blind geweld en oeverloos tumult

dat moet je kapselen in lood als je

je zegt: als je
als je, zeg je nog een keer
en je bedoelt:

als je echt wilt zijn

maar als je echt wilt zijn moet ook het
vertedier in jou de vrijheid krijgen om stille
lucht te blazen door de flinterdunne kieren
van je strottenhoofd en om genegenheid
te hangen in alle hoge bomen en om genade
uit te strooien over welkend gras, net zo lang
tot er voldoende weemoed is verzameld
om het tot een binnenste te vouwen
dat te wecken is in glas

dus als je,
en je zegt het nog een keer:
dus als je

op het kiezelstrand de juiste
tekens stapelt rond het wezen dat je bent
– een kraai, een ransuil of een ekster – en je
wat daarbinnen valt zo groot maakt dat ook
de leegte daar beschutting vindt, dan lig je
uitgestrekt over al de namen die jou noemen
– leeuw, stier, steenbok, kreeft, waterman –
en heb je in jezelf de wijdte wijd gemaakt
waarin het universum op kan wellen
en zich kan laven aan het oeroud lied dat
jou van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat bestuift met het goddeloze niets

en jou moet hoeden voor ieder zeker weten
ook omtrent jezelf, want wat je bent
spreidt altijd vele malen breder
dan de typering die een waarheid
van je geeft en is meestentijds verweven
met de mix van pijn en vreugde die je glaslichaam
gereedhoudt als een traploos idioom, dat bij
nacht geacht wordt uit te stromen
over het laagland van je leven
waar jij je tent hebt opgeslagen om
de weide af te grazen die met je
inkeer is ontstaan

zo leg je jezelf de hand op
en spreek je toverwoorden

zo trek je de cirkel
waarbinnen alles tot bedaren komt

zo ben je de kraai, de ransuil en de ekster

zo strem je alle uitvalswegen
en stuw je ruimte op en tijd
tot je zachtjes overvloeit

je kunt dat zijn noemen
of geluk
of doordesemde aanwezigheid

het is in ieder geval iets wat van buiten
komt, maar gek genoeg diep
van binnen in je brandt

iets wat je gekregen hebt
iets wat je te zijn hebt
iets wat je te geven hebt:

liefdesgemoed

Henk van der Waal (1960)
uit: Door alle honderd harten wit te kalken (2018)

———————————–