Een dood kind verzin je niet

Door Marc van Oostendorp

‘Het dode kind in de literatuur’ – op  het eerste gezicht is het misschien niet het aantrekkelijkste onderwerp, maar wie Van Constantijtje tot Tonio leest, het boek dat Rick Honings, Olga van Marion en Tim Vergeer over het thema samenstelden, kan alleen maar vaststellen: dit is een gouden greep geweest.

Er blijken namelijk maar weinig onderwerpen te zijn waardoor je zo scherp over de grenzen van de literatuur kunt nadenken als dit.

 

In zijn verhelderende afsluitende essay wijst de Rotterdamse hoogleraar Frans-Willem Korsten erop dat in alle besproken werken – aan de orde zijn dan onder andere de schrijvers Bilderdijk, Tollens, Van Eeden, Büch, Jansma en Enquist geweest – vooral poëtisch zijn, ook al zijn het verhalen. Ze maken, zegt Korsten, bijvoorbeeld allemaal heel sterk gebruik van herhalingen (‘stotteren’) en andere vormverschijnselen en ze gebruiken allemaal een vorm van aanspreken of oproepen van de overledene, de zogeheten ‘apostrofe’ die we ook meer met poëzie dan met proza associëren.

Een grens van fictie

Misschien heeft dit iets te maken heeft met de uitzonderlijke heftigheid van de gevoelens die altijd met het verlies van een kind gepaard zijn gegaan. Mij viel nog iets op: dat eigenlijk in alle besproken werken het dode kind écht is. In de meerderheid van de gevallen betreft het een eigen kind, en een enkele keer een kind van een historische figuur (Malva van Haga Peeters gaat over een kind van Pablo Neruda). Korsten noemt in zijn essay Jeptha van Vondel als een werk dat gebaseerd is op ‘bijbelse fictie’, maar we mogen er toch vanuit gaan dat voor Vondel die Jeptha een even historische figuur was als Neruda.

Het is net of een dood kind zo erg is, dat je dat niet gaat verzinnen. Of: dat je er niet over schrijft tenzij je er niet om heen komt, omdat het nu eenmaal écht gebeurd is. We stuiten hier op een grens van de fictie, in ieder geval in onze cultuur.

Waarachtigheid

Interessant is in dat verband natuurlijk het geval van Boudewijn Büch, in dit boek opnieuw besproken door zijn biografe Eva Rovers, die wel degelijk een dood kind verzon, althans, die verzon dat een zoontje van een vriendin eigenlijk zijn zoontje was, en daarna dat het kind dood ging. Maar nog steeds dééd Büch nog steeds alsof het verhaal echt was, en waren zijn vrienden uiteindelijk zeer verontwaardigd toen ze er na zijn dood achter kwamen dat dit verhaal inderdaad verzonnen was. Allerlei andere dingen die hij ze op hun mouw gespeld had, leken minder erg.

Die noodzaak tot waarachtigheid gaat nog iets verder. Niet alleen moet een verhaal echt gebeurd zijn, jet lijkt ook net alsof je er niet al te veel dingen omheen mag verzinnen. Het duidelijkst komt dat misschien wel naar voren in het artikel dat Sander Bax schreef over Tonio van A.F.Th. van der Heijden. Hoewel dat boek als Requiemroman werd gepresenteerd, werd het door de kritiek over het algemeen niet als fictie gerecenseerd en wordt ook in het boek vrij nadrukkelijk gewag gemaakt van een afkeer van bijvoorbeeld stilistische middelen.

Authentiek

In zijn artikel formuleert Bax drie ‘imperatieven’ die lezers aan hedendaagse autobiografische literatuur zouden stellen:

Lezers en critici mogen niet de indruk krijgen dat de schrijver op commercieel gewin uit is (de belangeloosheidsimperatief), ze mogen niet de indruk krijgen dat hij zich het leven van zijn dierbaren te veel toe-eigent ter ere van eigen glorie (de bescheidenheidsimperatief) en ze mogen niet het gevoel krijgen dat de schrijver te veel laat zien: het portret moet (…) ook weer niet ‘exhibitionistisch’ zijn (de soberheidsimperatief).

Omdat boeken over dode kinderen dus vrijwel per definitie autobiografisch zijn, moeten ze dus ook aan deze imperatieven (die me allemaal heel plausibel lijken) voldoen. Als het over zoiets heftigs gaat, moet het boek ‘authentiek’ zijn, je mag je het leed van wie het overkomt je niet ‘toe-eigenen’, zelfs als dat niet je dierbaren zijn.

Doodmaken

Vandaar misschien dat fictie uit den boze is, en dat, zoals Korsten zegt, de poëtische vorm overblijft – de lyrische, het zogenaamd rechtstreeks uitdrukken van gevoel, en die apostrofe. Ook in de vorm moet duidelijk zijn dat het leed zo groot is dat je het niet alleen niet kunt verzinnen, maar dat je er ook niets aan hebt toe te voegen.

Fictie vermag alles, maar niet alleen kan het doden niet uit het leven opwekken, het kan – of mag – ook geen kinderen doodmaken.

Rick Honings, Olga van Marion en Tim Vergeer. Van Constantijntje tot Tonio. Het dode kind in de Nederlandse literatuur. Hilversum: Verloren, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Een dood kind verzin je niet

  1. Ingmar schreef:

    Ik moest ook denken aan de ophef die in Frankrijk ontstond nav “Tom est mort” van Marie Darrieusecq. Uit de recensie van de Volkskrant:
    “Dat is ook het geval met haar laatste roman Tom est mort (2007), al leidde die bij verschijnen in Frankrijk tot een literaire rel. Als vaker neemt Darrieussecq in dit werk de relatie van een moeder tot haar kinderen tot uitgangspunt. Ditmaal kiest ze het perspectief van een moeder die haar 4-jarige zoon verliest. Merkwaardig genoeg kwam dit haar op heftige kritiek te staan, onder ander van collega-auteur Camille Laurens, die haar van ‘psychisch plagiaat’ beschuldigde. Daarmee wordt de schrijfster feitelijk het recht ontzegd zich in te leven in een dergelijk verlies en wordt het onderwerp uitsluitend tot het autobiografische domein gerangschikt – verboden te betreden voor wie het niet zelf hebben meegemaakt.”
    https://beta.volkskrant.nl/cultuur-media/tom-is-dood~bfa55f9e/

    • DirkJan schreef:

      Anna Enquist liet in haar debuutroman Het meesterstuk als fictie de jonge dochter van de hoofdpersoon overlijden. Toen jaren later haar eigen kind overleed, heeft haar dat tragische plotelement achteraf danig dwarsgezeten; alsof ze het onheil van de dood van haar dochter over zichzelf had afgeroepen.

  2. chrisbernasco schreef:

    Over de keuze voor poëzie i.p.v. proza: de Israëlische schrijver David Grossman schreef over de dood van zijn volwassen zoon in zijn boek Uit de tijd vallen. Een verhaal in dichtvorm. In interviews vertelde hij hoe hij worstelde om uitdrukking te geven aan wat hij meemaakte, totdat hij zijn toevlucht nam tot de poëzie. Hij verwoordde dat prachtig in een gesprek met Wim Brands van VPRO boeken. https://www.npo.nl/boeken-op-reis-met-wim-brands/08-09-2013/VPWON_1196915

Reacties zijn gesloten.