Lerarenopleiders Nederlands, verenigt u!

Door G.W.S. Criens, P.J.M. Wenmakers en V.J. Westerwoudt
Lerarenopleiders Nederlands Fontys Lerarenopleiding Sittard

Met enige verbazing lazen wij de commentaren op het verdwijnen van historische letterkunde uit de kennisbasis voor de tweedegraadslerarenopleiding. De reacties zijn voornamelijk vingerwijzend en weinig genuanceerd. Neerlandici op hun best; Holland op zijn smalst. (Het artikel van De Stuers in De Gids in 1873 waarin deze uitdrukking geïntroduceerd werd, vertoont overigens aardige parallellen met de nu ontstane discussie.) 

Lerarenopleider Peppelenbos strijdt tegen lerarenopleider Van Dam-Helwig door op procedurefouten te wijzen die zij maakte in haar rol van voorzitter van het landelijk vakgroepoverleg en lid van het redactieteam van de herijkte kennisbasis. De uitkomst van het overleg van de letterkundigen van de lerarenopleiding heeft de redactie naast zich neergelegd voor wat betreft historische letterkunde. Schande!

Wij nemen aan dat Peppelenbos zijn reactie louter als uiting van machteloosheid heeft bedoeld, want anders zouden we zijn reactie als niet meer dan een persoonlijke aanval moeten betitelen. We zouden dan ook verbaasd zijn dat hij zich alleen op de vorm en niet op de inhoud zou richten. Peppelenbos heeft wel een punt: een redactie kan een opvatting van een meerderheid niet zonder verantwoording naast zich neerleggen. 

Hoogleraar Van Oostendorp roept in zijn reactie naar aanleiding van het ontbreken van literatuurgeschiedenis van voor 1880 in de kennisbasis dingen als: ‘dode schrijvers mogen nog een paar jaar meedoen in Nederland, maar ze tellen niet. Wat al die lui vroeger allemaal te zeggen hadden, wat kan ons het schelen. Wij hebben Kluun en Heleen van Royen toch?’ Hij trekt de conclusie dat het hbo heeft laten zien dat het niet in staat is een eigen kennisbasis vast te stellen. De kennisbasis moet volgens hem ‘over’, in overleg met mensen die er wel verstand van hebben, die er wel hart voor hebben.

Wij nemen aan dat de hoogleraar zijn reactie louter als provocatief heeft bedoeld, want anders zouden we zijn reactie als dom en arrogant moeten betitelen. We zouden dan ook beledigd zijn, omdat hij ons en onze collega’s dan zou afschilderen als mensen die er geen verstand van hebben en die er geen hart voor hebben. Dit kan niet.

Van Oostendorp heeft wel een punt: er moet worden ingegrepen.

Daarom distantiëren wij ons hierbij van de toonzetting in de discussie over de kennisbasis. De discussie is niet constructief en suggereert bovendien dat we de invloed van de kennisbasis enorm overschatten. De lerarenopleidingen in Nederland beperken zich niet tot een curriculuminhoud die louter bedoeld is om de kennisbasis af te dekken en de landelijke kennistoets te halen. Leraren moeten cultuuroverdragers zijn en een brede algemene ontwikkeling hebben. Voor een docent Nederlands betekent dat wat ons betreft ook zeker kennis van de volledige literatuurgeschiedenis hebben.

Wat deze kwestie vooral laat zien is dat de kennisbasis en de bijbehorende landelijke kennistoets niet bijdragen aan het verhogen van de kwaliteit van de lerarenopleidingen. De kennisbasis is veelal een bevestiging gebleken van wat er al in het curriculum aanwezig was. De bediscussieerde herijking zal er bij ons niet toe leiden dat de literatuurgeschiedenis uit het curriculum verdwijnt. De fundamentele discussie over het ontbreken van de literatuurgeschiedenis van voor 1880 in de kennisbasis moet zeker gevoerd worden, maar niet als daarbij de misvatting heerst dat de kennisbasis gelijk is aan het curriculum van de lerarenopleiding.

Daarom distantiëren wij ons ook van de kennisbasis en vooral van de landelijke kennistoets. We roepen alle lerarenopleiders Nederlands op datzelfde te doen.