Sudderplaatjes II – Wh-vragen en vooronderstellingen

Door Guusje Jol

Laatst beloofde ik u een vervolg naar aanleiding van mijn belevenissen met de sudderplaatjes (of eigenlijk: het gebrek aan sudderplaatjes) in Zwedens bekendste boekenkastenleverancier. Bij dezen.

Hier nogmaals de dialoog met de medewerker. Eerder schreef ik over de eerste twee regels. Nu zijn regels 3 en 4 aan de beurt.

1   Ik:                  [Mag ik u iets vragen.

2   Medewerker:          [((kijkt op van scherm))

3   Ik:                  Waar kunnen we sudderplaatjes vinden?

4   Medewerker:          Bij Dille & Kamille.


Strikt genomen geeft de medewerker in regel 4 keurig antwoord op de vraag in regel 3. Toch is er iets moeizaams. Het is duidelijk dat het antwoord in regel 4 neerkomt op ‘die hebben we niet’, maar ik moest er een seconde op kauwen. Waarom? En de medewerker geeft wel een suggestie, maar toch zit er iets oncoöperatiefs in. Waar zit ‘m dat in?

 

Wh-vragen en oma’s keukenla

Qua vorm geeft de vraag in regel 3 de ruimte om sudderplaatjes te noemen die zich waar dan ook bevinden te noemen en als antwoord in te zetten. In die zin is het een ‘open vraag’ zoals ‘open vragen’ vaak benoemd worden, de zogenaamde wh- vragen (wie, wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe). Die vragen worden vaak bejubeld om de veronderstelde eigenschap dat ze geen woorden in de mond zouden leggen en geen ‘ingebakken’ vooronderstellingen zouden hebben.

En tóch is het duidelijk dat de vraag niet uit is op de sudderplaatjes in oma’s keukenla.

 

Vooronderstelling in de vraag

De vraag in regel drie veronderstelt namelijk wel degelijk iets. De direct beschikbare fysieke en relevante context voor deze vraag is immers een filiaal van de blauw-gele meubelgigant. Impliciet veronderstelt de vraag dat sudderplaatjes bij de kookafdeling aldaar te vinden moeten zijn. En het veronderstelt dat het antwoord een aanwijzing gaat zijn als ‘in de hoek daar rechts, bovenin het schap’. Of iets in die geest.

 

Geen markering

Maar het antwoord begeeft zich buiten deze fysieke context. Dille & Kamille is geen onderdeel van deze meubelleverancier-annex-relatietest-maker. En het antwoord is dus een antwoord dat niet past in de impliciete vooronderstellingen die in de vraag zitten.

Dat had de medewerker in zijn antwoord kunnen markeren met stiltes, uitstel, verzachtende formuleringen en/of excuses: ‘(stilte) Ehm, volgens mij hebben we die niet. Sorry’. Op die manier had hij gereageerd op de vooronderstelling dat de sudderplaatjes daar en dan aanwezig waren. Dat had hij kunnen laten volgen door een suggestie: ‘Misschien kunt u het bij Dille & Kamille proberen’. In dat geval had hij Dille & Kamille gemarkeerd als mogelijk alternatief voor het uitgangspunt van de vraag (in deze winkel).

In het antwoord dat hij in werkelijkheid geeft, presenteert hij Dille & Kamille als het antwoord, en niet als alternatief. Daarmee negeert hij de impliciete vooronderstelling ‘waar in deze winkel’. Hij behandelt de vraag letterlijk als een vraag naar waar sudderplaatjes zijn. Waar dan ook.

Vandaar mijn extra bedenktijd over zijn antwoord, en het gevoel dat het antwoord toch niet helemaal coöperatief was.

 

De aanschaf van sudderplaatjes

Nou zou ik de medewerker tekort doen als ik zou beweren dat hij alle vooronderstellingen in de vraag negeerde. Er is een verschil tussen ‘in mijn oma’s keukenla’ en ‘bij Dille & Kamille’. Hij geeft nog steeds een winkel als mogelijke vindplaats. En hij behandelt de vraag dus wel als een vraag met het oog op aanschaf van sudderplaatjes.  En die vooronderstelling zat natuurlijk ook in de vraag ingebakken. Net als de vooronderstelling dat de medewerker inderdaad zou kunnen vertellen waar die sudderplaatjes zouden gaan vinden. Zomaar drie vooronderstellingen in zomaar een wh-vraag…

Voor de kookliefhebbers onder u: uiteindelijk hebben we de sudderplaatjes gekocht bij een kookwinkel.