kreek

Door Michiel de Vaan

kreek zn. ‘smal water’

Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland.

Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), nederzetting die Creke (Middelburg, 1341). Mogelijk is het bekende Crikenputte (1276–1300) uit de Reinaertroman als ‘kreek-put’ op te vatten; in ieder geval speelt het verhaal zich in een krekenlandschap af.

Nnl. creecke ‘inham, baai’ (1528, Vorstermanbijbel, Hand. 27,39: Ende alst dach was, en kenden si dat lant niet, maer si werden een creecke siende, hebbende eenen oeuer, daer si dochten dat schip in te worpen), creke, creecke ‘ondiepe zee-arm’ (1576, Tractaet van dyckagie), kreke ‘ondiep water; walkant’ (1599; Zeeland), kreeck (1629); steenkreke ‘stenen wal’ (1564). In moderne dialecten: Westvlaams kreek, kreke ‘strook zand en schelpen in het veen’ (ontstaan doordat de zee-arm hier zand heeft afgezet tussen het veen), Zeeuws (Walcheren, Tholen) kriek, krieke met lange /i:/ (WZD).

Verwante vormen: Modern Westerlauwers Fries kreek (1844), krieke (1968) ‘kreek’; kreek (1869), kriek, krieke (1869), kriik (1911), dial. /kri:ke/ ‘deek, veek, aanspoelsel van een waterloop’. In het Engels bestaan twee klinkervarianten: (1) Middengels krike, cryke, crike, uit *krīk-; hieruit met klinkerverkorting ME crick; (2) ME creke, creake, crieque, MoE creek uit *krikō-; Anglo-Latijn creca, crecca; (3), alle ‘kreek, zee-inham’. Oudnoors kriki m. ‘hoek, bocht’, handarkriki ‘oksel’, naast krikr m. ‘bocht, buiging, dij’, Zweeds dial. krik ‘bocht, hoek, kreek’.

Het is niet geheel zeker op welke klinkers de Zeeuwse en Vlaamse vormen teruggaan vanwege de variatie tussen i en ee in alle periodes. De ee-vormen wijzen op *krikō- of *kraikō-, maar sommige i- en ie-vormen zouden ook op *krīk- kunnen teruggaan.

Er is geopperd dat kreek uit het Oudnoors werd ontleend, maar gezien het consequent vrouwelijke geslacht van Mnl. kreke en waarschijnlijk ook Oudnederlands Creka is dat niet waarschijnlijk. We kunnen voor het Westgermaans *krikō- naast *krīkō- reconstrueren, en als nauw verwant daarmee PGm. *krikan- ‘bocht, hoek’ zoals in het Noordgermaans geattesteerd. Gezien de betekenis ‘zee-inham’ in Engeland en Nederland is het benoemingsmotief van kreek niet het bochtige verloop van een kreek geweest (immers, de meeste beken en rivieren zijn bochtig) maar de ‘bocht’ of ‘inham’ in de kustlijn.

Op een hoger niveau kan PGm. *krik- verbonden worden met *kringan ‘draaien’, waarnaast ook *krinkan ‘buigen, kronkelen’ bestond (Kroonen 2013: 305), vgl. Nederlands kring, krinkelen, krank, krenken en kronkel. In het Noordgermaans horen daarbij woorden als ON kraki m. ‘stang met een haak’, MoNoors krake ‘scheefgegroeide boom of persoon’, ON krōkr ‘haak, buiging, bocht’, die *krak- en *krōk- veronderstellen. De variant *krik- in *krikan-, *krikō- ‘bocht, inham’ kan daarnaast binnen het Germaans gevormd zijn met invoering van de klinker van *krinkan. De variant *krīk- is dan later naast *krik- gemaakt.