Gedicht: Jan Poelhekke – De doornekroonbloem

De doornekroonbloem

Toen Jezus aan ’t kruis hing, op Golgotha’s top,
Toen hief onder ’t kruis een kleen bloempjen zich op,
En ’t blonk er, als waren de blaadren bedauwd
Met vonklende droppen van ’t zuiverste goud.

De rechterhand Gods, zoo verscheurd en doorwond,
Verhief zich ter plaatse, waar ’t bloemetjen stond;
Daar leekte van boven een purperen drop,
En ’t bloemetjen ving in drie blaadren hem op.

’t Werd nacht …. de aarde beefde …. en ’t bloemetjen sloot
De blaadren, en borg het juweel in zijn schoot;
En toen ’t zich weer opdeed, door ’t zonlicht bestraald,
Toen stond ieder blad met een bloeddrop bemaald.

En ’t goudgele kelkjen hief hooger zich op,
En weldra ontsproot er een groenende knop;
En om ieder knop — nooit gedragen voorheen —
Daar wond zich nu kronklend een doornekrans heen.

En nog draagt dit bloempjen den bloedrooden drop;
Nog vouwt het, als ’t nacht wordt, zijn bladertjens op;
Nog torst ieder knopjen een dorenen kroon;
— ’t Gedenkt aan het lijden van ’s Eeuwigen Zoon.

Jan Poelhekke (1819-1881)

• De bloem, waaraan deze legende is verbonden, is misschien bij velen onbekend. Ze behoort dan ook gansch niet tot de aristokratie onder de bloemen en is slechts van het geslacht der klaverzuring, ofschoon zij bij de geleerden den deftigen naam van medicago maculata voert. Bij het kleine lichtgeele kelkje draagt iedere stengel drie groene bladeren met donkerroode vlekken volmaakt een bloeddrop gelijkende. Des avonds sluiten zich de bladeren even als de gewone klaver. Wanneer men van den knop die er uit opschiet den krans ontwindt, die er zich vast om heen slingert, gelijkt deze laatste volkomen op eene kroon van doornen, “en daarom” zeî het oude godvruchtige moedertje, dat mij deze legende verhaalde en mij het zorgvuldig gekweekt potjen in haar vensterraam aanwees; “heet zij ook: de doornekroonbloem.”

———————————-