Galien Rethore : Nawoord

Door Willem Kuiper

Galien Rethoré is een roman uit de cyclus van Garin de Monglane. Deze literaire stamvader was de tweede zoon van hertog Savari van Aquitanië en diens eega Floure. Garin had twee broers, Antiaume en Gerin. Hij huwde met Mabille(tte) en werd vader van Hernaut de Beaulande, Renier de Gennes en Milon de Puille. Renier de Gennes huwde met Olive, dochter van Beuve li barbez, en werd vader van Olivier de Vienne en Bellaude (= la belle Aude), de latere verloofde van Oliviers wapenbroeder Roland. Olivier de Vienne was niet gehuwd, maar hij had wel een even korte als heftige één nacht durende relatie met Jaqueline, de dochter van koning Hugues van Constantinoble, bij wie hij Galien (uit te spreken als Galiën), de latere Galien Rethoré verwekte.

Dat zat zo. Charlemagne ging met zijn twaalf pairs op pelgrimage naar Jeruzalem en deed op de terugweg Constantinoble aan, omdat hij zijn vrouw had horen beweren dat de koning van Constantinoble nóg rijker was dan hij. En dat wilde Charlemagne wel eens met eigen ogen zien. Al snel komt Charlemagne erachter dat koning Hugues niet alleen puissant rijk(er) is, maar er ook een heel andere levensstijl op na houdt. Uitgenodigd om in zijn paleis te overnachten is Charlemagne zo onder de indruk van wat hij allemaal gezien heeft dat hij de slaap niet kan vatten en met zijn pairs een grappig bedoeld blufspel speelt. Dit onschuldig tijdverdrijf wordt echter volledig verkeerd begrepen door iemand die koning Hugues voor alle zekerheid in het slaapvertrek van zijn gasten verstopt heeft om hen af te luisteren. Deze spion hoort het ene na het andere onwaarschijnlijke, meestal gewelddadige verhaal, en onbekend met het gevoel voor humor van zijn Franse gasten, neemt hij die serieus. Zo pocht Olivier dat hij 15 keer achter elkaar met de dochter van de koning, op wie hij zijn lustig oog heeft laten vallen, de liefde zal bedrijven alvorens te rusten. De volgende dag wordt hij door haar uitzinnige vader gedwongen de daad bij het woord te voegen.
Als Jaqueline zwanger blijkt, wordt zij door haar vader verstoten. Zij vindt onderdak op het platteland bij een alleenstaande oudere vrouw, en daar bevalt zij in de vrije natuur bij een bron van een zoon. Twee feeën, Esglantine en Galienne, assisteren bij de geboorte. Als kraamcadeau geven zij hem elk een ‘don’ (gift). Galienne voorspelt hem een moeilijke jeugd, maar hij zal dapper als een leeuw in het gevecht zijn, onkwetsbaar voor vergif en verraad, zijn wonden zullen binnen drie dagen genezen, ooit zal hij koning van Constantinoble worden en als herinnering aan deze ontmoeting zal hij de naam Galien dragen. Esglatine voorspelt hem dat hij onoverwinnelijk in de strijd zal zijn, een beschermer van het geloof en een redder van Charlemagne en diens zes (van de twaalf) overgebleven pairs. Aan dat laatste zal hij zijn toenaam ‘Rethore’ danken, wat zo veel wil zeggen als: hersteller, restaurateur.
Galien groeit op in ballingschap aan het hof van de graaf van Damas (Damascus), een (oudere) broer van de koningin van Constantinoble, omdat hij als buitenechtelijk kind zijn leven in Constantinoble niet zeker was. Eenmaal de onnozele leeftijd voorbij is hij als achtjarige het allermooiste jongetje aan het hof van Damascus. In zijn negende levensjaar gaat hij naar school, maar wordt, omdat hij zo goed kan paardrijden, onmiddellijk vrijgesteld van het volgen van onderwijs. Galien is vijftien als hij door zijn pleegoom geïntroduceerd wordt aan het hof van zijn grootvader, die zo verrukt van hem is dat hij onmiddellijk al zijn eerdere bezwaren vergeten is. Eén jaar later overtreft Galien allen in alle opzichten op alle terreinen, tot intense ergernis van zijn ooms Henry en Tibert. Als Tibert Galien uitdaagt voor een schaakpartij, die door Galien gewonnen wordt, dan slaat Tibert hem uit pure nijd met het schaakbord tot bloedens toe op zijn hoofd, en scheldt hij hem uit voor “bastard filz de putain”. Dit is voor Galien reden om bij zijn moeder navraag te doen over zijn verwekker, en zo hoort hij dat hij de zoon van Olivier van Vienne is. Natuurlijk wil Galien nu op zoek gaan naar zijn vader om hem alsnog met zijn moeder in de echt te verbinden. Zijn grootvader geeft hem een wapenrusting, een paard, een zwaard, vier lastpaarden met goud en geld, tien schildknapen en een jonge maar ervaren ridder, Girart de Secille, als begeleider, en zo vertrekt Galien uit Constantinoble om vrijwel direct in een hinderlaag te lopen die Henry en Tibert voor hem gelegd hebben.
Galien blijft ongedeerd, mede dankzij hulp van koning Hugues die gelukkig op tijd arriveert om hulp te bieden. Henry en Tibert ontkomen, en Galien zet zijn reis naar Gennes voort. Maar voordat hij kennis kan maken met de ouders en de zuster van zijn vader moet hij zich eerst langs de roverhoofdman Brisebarre vechten, die al jaren lang een ware plaag voor de rondreizende kooplieden is. Deze onverlaat kon zijn gang gaan omdat Olivier met Charlemagne in Spanje vecht en hertog Regnier oud en bedlegerig geworden is. Maar als Regnier hoort dat er visite is die merkwaardig sterk op zijn zoon lijkt, komt hij zijn bed uit, vraagt de gast naar zijn afkomst en biedt hem aan tot ridder te slaan. Tot Regniers intense teleurstelling weigert Galien resoluut, hij wil alleen door Charlemagne tot ridder geslagen worden. Zonder rancune schenkt Regnier hem het paard Marchepin, dat Olivier veroverde op de Saraceense emir Corroborond, en Bellaude schenkt hem een beschermende ring die ooit nog aan St. Étienne (de heilige Stefanus) toebehoort had.
Galien arriveert in het legerkamp van Charlemagne aan de vooravond van de (eerste) slag bij Ronchevaulx. Ganelon is als afgezant van Charlemagne naar koning Marcille van Sarragosse gestuurd met een ultimatum: Geef je over of sterf! Ganelon is uitzinnig van woede op Rolant, aan wie hij zijn levensgevaarlijk gezantschap te danken heeft, en besluit zich met hulp van Marcille op Rolant te wreken. Weer terug bij Charlemagne brengt hij het goede nieuws dat Marcille gehoor zal geven aan het ultimatum, dat Charlemagne de terugreis kan aanvaarden en Rolant met de achterhoede van het leger moet achterlaten om Marcille’s vredesgeschenken in ontvangst te nemen. Charlemagne gelooft Ganelon, doet wat hij zegt, trekt zich terug met zijn leger en laat Olivier, Rolant, aartsbisschop Turpin samen met nog wat baronnen en 20.000 strijders achter te Ronchevaulx.
Om middernacht worden de Fransen overvallen door 100.000 Saracenen. Als de dag aanbreekt en de Saracenen zich terugtrekken zijn er nog maar een paar overlevenden, waaronder het bovengenoemde drietal, die allen zwaar gewond zijn. Rolant blaast alsnog op zijn hoorn om Charlemagne te waarschuwen en wordt gehoord, maar Ganelon verzint een smoes om Charlemagne ervan te weerhouden terug te keren naar Ronchevaulx. Als Rolant wederom blaast en Ganelon weer met een uitvlucht komt, protesteert Galien heftig en noemt hij Ganelon een verrader. Galien krijgt toestemming naar Ronchevaulx te rijden om poolshoogte te nemen en komt onderweg Godebeuf de Frise tegen, die hem vertelt wat er gebeurd is. Te Ronchevaulx ontmoet Galien tien Saracenen op souvenir jacht, die hij allen op één na doodt. Deze overlever waarschuwt de ‘onverslaanbare’ koning Pinart, wiens huid dankzij een zalf van keizer Titus, de man die Jeruzalem innam, staalhard is. Omdat hij met zijn zwaard geen vat op zijn tegenstander krijgt, doodt Galien hem uiteindelijk met een zware boomtak. Hierna kan hij terugkeren naar Ronchevaulx, waar hij zijn vader Olivier en Rolant ontmoet, die er beiden slecht aan toe zijn. Olivier sterft kort daarop in Galiens armen. Samen met Rolant keert Galien zich tegen de Saracenen, maar de ernstig verzwakte Rolant kan hem niet meer volgen. Als hij zijn dood nabij weet, gooit Rolant zijn zwaard Durendal in een rivier, omdat hij niet wil dat het in handen van de Saracenen komt. Die nacht waakt en slaapt Galien bij de lichamen van Olivier, Rolant en Turpin.
De volgende dag arriveert Charlemagne en wordt Ganelon gevangen genomen. Ook komt het tot een treffen met Marcille, dat door Charlemagne overtuigend gewonnen wordt. Ondertussen trekt Galien samen met zijn ooms Arnault de Bellande en Girard de Vienne en zijn neven Bennes en Savary dieper Spanje in om zich te wreken op de moordenaars van zijn vader en om daar het bergkasteel Monsurain te veroveren, waarvan de schone Guimande, de dochter van koning Marcille, de burchtvrouwe is. Dankzij de gevangengenomen Saraceense koning Mauprin slaagt hij er listig in zich meester van dit kasteel te maken alsook van de liefde van Guimande, met wie hij later zal huwen. Met Monsurain als uitvalsbasis pacificeert Galien de regio totdat hij door Charlemagne te hulp geroepen wordt voor een derde en beslissend treffen te Ronchevaulx. De legermacht die Belligant en Marcille verzameld hebben is zo overweldigend groot dat Charlemagne verslagen zou zijn ware het niet dat Galien nog net op tijd arriveerde om het tij te keren. Zo maakt hij zijn toenaam Re(s)thoré meer dan waar.
Na deze overwinning krijgt Galien bericht dat zijn moeder door haar broers ervan beschuldigd wordt dat zij hun vader vergiftigd heeft. Galien reist naar Constantinoble, vecht een tweekamp uit met de reus Burgalant, die hij wint, om vervolgens aangevallen te worden door zijn verrraderlijke ooms. Zijn moeder wordt meegenomen naar het bos om daar gedood te worden, maar gelukkig kan Galien dat voorkomen, de verraders ophangen en koning van Constantinoble worden.
Dan komt het bericht dat Monsurain belegerd wordt door de koning van Cordres en dat het spreekwoordelijke water tot aan de lippen van de verdedigers staat. Galien is net op tijd terug om zijn gevangengenomen ooms te bevrijden en de strijd in zijn voordeel te beslissen. Hierna geeft hij koning Mauprijn het gezag over Monsurain en gaat hijzelf met Guimande terug naar Constantinoble, waar hij tot zijn dood als een voorbeeldig christen vorst regeert.
Aan het slot van de roman wordt de verrader Ganelon te Laon door vier paarden in stukken getrokken als straf voor zijn verraad.

Van dit verhaal bestaan meerdere redacties, één chanson de geste (hs. Cheltenham) en enkele prozabewerkingen, (deels) synoptisch uitgegeven in 1890 door Edmund Stengel, waarvan de druk vóór (niet van) Anthoine Vérard, Parijs 1500, inhoudelijk de rijkste is. Vérard vertelt namelijk in het begin van zijn prozaroman het chanson de geste Le pèlerinage de Charlemagne na, zodat de lezer volledig op de hoogte is van de burleske voorgeschiedenis, die in het chanson de geste en de prozareacties redacties hs. 1470 en hs. 3351 bekend verondersteld wordt.
French Vernacular Books / Livres vernaculaires français vermeldt naast (22238) de druk voor Vérard, Parijs 1500, nog 9 andere drukken, waarvan de drie oudste zijn: (22239) Jean Treperel, Parijs 1521; (22240) Claude Nourry, Lyon 1525 en (22241) Alain Lotrian, Parijs 1530. Treperel en Nourry hebben dezelfde afwijkende titel, en Nourry wijkt af van Vérard. Lotrian niet. Dus als ‘onze’ Antwerpse [?] vertaler ná 1530 werkzaam was dan zou hij in theorie … Helaas is het mij tot op heden niet gelukt afbeeldingen van die druk van Lotrian onder ogen te krijgen. In zijn bijgebonden aantekeningen bij de Vorsterman druk, nu losgemaakt en apart bewaard, uitte Braekman het vermoeden dat Vérard de bron was, en dat lijkt mij, gelet op de overeenkomst in structuur, verhaal en de spelling van de eigennamen heel wel mogelijk. Vandaar ook dat ik die druk als vergelijkingsmateriaal gebruikt heb.

Inmiddels heeft Galien Rethore de actuele vakliteratuur gehaald. Elisabeth de Bruijn heeft in Madoc 31 (2017), afl. 2, p. 75-82 een ‘Reportage’ gepubliceerd: ‘Galien Rethore herondekt’. Daarin las ik op p. 78 dat Galien Rethore in 1618 door de Antwerpse bisschop Malderus op de lijst van verboden boeken gezet was. Naar De Bruijn vermoedt “ongetwijfeld vanwege zijn wereldse karakter en het soms grove taalgebruik (vgl. Bastaert en hoerekint, fol. b2r)”. Dit heeft geleid tot een gekuiste heruitgave, die helaas niet bewaard gebleven is. Zij besluit die paragraaf op p. 79 met de conclusie: “We mogen dan ook van geluk spreken dat er nu een exemplaar van Galien Rethore is opgedoken – en nog wel in ongecensureerde vorm!”

Wie de moeite neemt zichzelf de tekst van Anthoine Vérard voor te lezen met in gedachten een Franse Theo Maassen als voordrager, zal mijns inziens tot de conclusie komen dat er eigenlijk niet zo heel erg veel meer te censureren overgebleven was in de druk van Willem Vorsterman. De Franse brontekst is in alle opzichten ‘hardcore’, in taal, in grappen, in geweld en in gedrag. De Nederlandse vertaling filtert (bijna) alles weg dat ‘boven de 18’ is. Zoals wel vaker het geval is met Middelnederlandse vertalingen heeft het er alle schijn van dat de Franse tekst, die gelet op de grappen oorspronkelijk bedoeld zal zijn geweest voor een gehuwd en gemengd publiek, vertaald werd voor een doelgroep van ongehuwde, jongvolwassen jongens / jongemannen. Van de erotische voorgeschiedenis bleef niets over. Excessief geweld, erotiek en gedrag dat men in Antwerpen liever niet zag, zoals elkaar op de mond kussende mannen, werden handig weggefilterd, om een compacte maar toch levendige roman over te houden over een jongeman die in alles een voorbeeldfunctie vervult. Eerst is hij de zoveelste zoon in de middeleeuwse literatuur die op zoek gaat naar zijn biologische vader, onderweg veelbelovende wapenfeiten verrichtend, en vervolgens wist hij de schandvlek uit die Ronchevaulx in de herinnering van de Fransen was door de Saracenen in Spanje te verslaan. Daarna verovert hij zijn eigen land op de heidenen, vergaart een fortuin en huwt de dochter van de verslagen koning Marcille, hij strijdt voor de eer van zijn valsbeschuldigde moeder en doodt haar verraders, en ten slotte brengt hij het tot koning van Constantinopel. Dat deze stad al in 1453 door de Turken ingenomen was, klinkt nergens door in deze roman.

De druk voor Vérard die in de BnF bewaard wordt en digitaal bekijkbaar is via Gallica ziet er, ook omdat het een gedigitaliseerde microfilm lijkt, niet uit als een bijzonder boek. Aan het slot ontbreken enkele bladzijden, wat mij dwong op zoek te gaan naar een ander, compleet exemplaar. De British Library bleek ook een exemplaar van de druk voor Vérard te bezitten, gedrukt op perkament nog wel. Tot mijn grote geluk ken ik een lokale neerlandica, en zij was bereid voor mij het boek te bekijken en foto’s van de ontbrekende bladzijden te maken. Ik heb nog nooit zo’n mooi gedrukt laat-middeleeuws boek gezien! Heb de British Library inmiddels op hun kroonjuweel gewezen en hen gevraagd dit boek te digitaliseren en online te zetten. Het is te mooi om in het magazijn verborgen te houden, en ook is het deels anders geïllustreerd dan de BnF druk. Naast deze twee drukken zijn er volgens de ISTC nog twee exemplaren bewaard gebleven. Ben heel benieuwd naar hoe die geïllustreerd zijn. Vérard verkocht geen confectie maar maatwerk, en zijn boeken voor heel goede klanten zijn unica.

Omdat er geen integrale editie van de druk voor Vérard bestaat – in zijn editie drukte Edmund Stengel slechts dat deel af dat overeen kwam met het chanson de geste – werk ik nu samen met Jelle koopmans aan een kritische editie van die druk. Zodoende werd ik weer eens geconfronteerd met de verschillen in editie praktijk tussen Frankrijk en Nederland. Wij zijn nog altijd in de ban van de diplomatische editie en onze kritische edities zien er toch heel anders uit dan de Franse kritische edities. In Frankrijk kent men eigenlijk geen diplomatische editie van een literaire tekst, alles is daar kritisch, waarbij voor het leesgemak niet alleen hoofdletters en interpunctie maar ook accenten en diakritische tekens worden toegevoegd. Omdat de zetters van Vorsterman geen filologen waren, hun voorraad letters beperkt was, en de achterkantlijn voor hen heilig was, waarvoor spelling en woordscheiding moesten wijken, heb ik dit keer mijn editie enigszins in Franse stijl gedaan om de tekst makkelijker lees- en begrijpbaar te maken voor een groter publiek. Mocht dit bij vakgenoten op (te) grote bezwaren stuiten dan ben ik niet te beroerd om hier nog eens over na te denken. Een enkele y aan het begin van een woord, die daar gebruikt werd omdat er anders te weinig letters i in de zetkast overbleven, heb ik weergegeven als een j. Ik weet dat hier door sommigen heel moeilijk over gedaan wordt, maar voor de zetters van Vorsterman bestond er geen verschil tussen de i en de y. En in een kritische editie is het gebruikelijk om een i aan het begin van een woord als een j weer te geven als dat volgens ons een j is. (Ten overvloede: onze j bestond nog niet ten tijde van Willem Vorsterman, wel de lange i, die als een j geschreven werd.) Ik heb hierin een middeleeuwse consequentie toegepast, en mij beperkt tot die gevallen waarin dat typografisch niet storend was en een beter begrip van de tekst ten goede kwam. Aan de tekst zelf heb ik in wezen niets veranderd. Van de woordscheiding of juist geen woordscheiding, Vorstermans zetters gebruikten geen afbreekteken en varieerden al naar gelang de beschikbare ruimte, ben ik alleen dan afgeweken als dat een visueel prettiger tekst opleverde.

De kritische editie wordt momenteel opnieuw gecollationeerd, Middelnederlands en Frans, en is daarom nog aan kleine veranderingen onderhevig.

Tot slot eeen woord van dank aan allen die mij het afgelopen jaar geholpen hebben met deze editie, in alfabetische volgorde en zonder titulatuur: Amand Berteloot voor zijn antwoorden op mijn taalkundige vragen; Jos Biemans voor het mij attenderen op de veiling van dit boek, waarnaar ik sinds noot 430 (p. 238) in J.D. Janssens, Dichter en publiek in creatief samenspel. Over interpretatie van Middelnederlandse ridderromans. Leuven enz. 1988 uitgezien heb; Miriam Curwen-Oort voor haar bezoeken aan de BL en haar prachtige foto s; Frans Janssen voor zijn antwoorden op mijn analytisch bibliografisch vragen; Jelle Koopmans voor zijn antwoorden op mijn Franse vragen; Marcus de Schepper voor zijn informatie over de veiling van het boek en ten slotte maar geenszins in de laatste plaats Steven Van Impe, conservator van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience te Antwerpen, de nieuwe eigenaar van dit unieke boek, die mij vanaf het begin met foto s hielp deze editie mogelijk te maken.