Etymologisch snacken

Door Marc van Oostendorp

Wie een beeld van de Nederlandse taalcultuur aan het begin van de 21e eeuw wil schetsen, kan niet om Wim Daniëls heen. Die man verenigt in zijn persoon en zijn werk zo’n beetje die hele cultuur. Dat blijkt ook weer uit zijn nieuwste boek Koken met taal, dat verscheen bij Thomas Rap.

Daniëls is een aardige man: iemand die hard werkt, geen kapsones heeft en met iedereen kan praten. Dat klopt alvast, want de Nederlandse taalcultuur in onze tijd is in veel opzichten best een aardige. Zeker als je hem vergelijkt met die in andere landen: er wordt veel minder gemopperd, ik ken bijvoorbeeld eigenlijk geen bekende taalschrijvers die op gemopper hun carrière hebben gebouwd (de laatste was wijlen J.L. Heldring, en zelfs die deed dat op een verlichtere manier dan menig auteur in Franse, Britse, Spaanse kranten). Ook zijn er veel minder waanwijze zelfbenoemde deskundigen die ongestraft de grootst mogelijke onzin mogen beweren. Mensen die in Nederland over taal aan het woord worden gelaten zijn misschien geen Stephen Hawkings van de linguïstiek, maar hebben meestal toch wel een idee waar ze het over hebben.

Dat alles geldt dus ook voor Daniëls. Wat hij beweert is zelden onzin, en het is nooit slecht gehumeurd. Koken met taal gaat zoals al het werk van Daniëls (geloof ik, het is lastig het hele oeuvre te overzien) over plezier in taal. In dit concrete geval zelfs heel letterlijk: met koken bedoelt Daniëls vooral spelen.

Het boek bestaat uit een groot aantal stukjes waarin allerlei spelletjes met taal worden voorgesteld, een soort Opperlans light: waar Battus (zelf ook al zo’n wonderlijke uiting van de Nederlandse taalcultuur) soms pagina’s in kranten kon vullen met onbegrijpelijke woordspelletjes, houdt Daniëls altijd rekening met zijn grote schare volgers. Koken met taal begint bijvoorbeeld met een lijst woorden die aan het begin een extra letter hebben gekregen én een nieuwe definitie (veel van dit soort lijsten in het boek komen voort uit oproepen die Daniëls de afgelopen tijd deed op Twitter):

bactief. Gezegd van iemand die graag kookt en bakt.
badmiraal. De baas van alle badmeesters in een zwembad.
bakademie. Opleiding voor bakkers en patissiers.

Op andere momenten vertelt Daniëls aardige wetenswaardigheden over taal, vaak uit de etymologie (waar komt kibbeling vandaan?) Ook lardeert hij zijn teksten met anekdotes uit zijn eigen leven, met name zijn jeugd in Brabant. Een kenmerkende passage waar allebei de ingrediënten (ja, koken met taal) in voorkomen is deze:

We aten het vroeger thuis geregeld: hete bliksem, dat was bij ons stamppot van zoete appeltjes. Die stamppot werd hete bliksem genoemd omdat de stamppot echt een hele tijd heet bleef door het vocht uit de appeltjes.

De beeldspraak van het koken voegt een verhalende lijn toe aan het boek. Op de omslag wordt Daniëls een taalcabaretier genoemd (of althans, er wordt gezegd dat hij als zodanig door het land toert) en dat lijkt me een goede karakterisering. Hij is een aardige oom die grappige anekdotes weet te vertellen, leuke spelletjes weet te verzinnen en je steekt er nog wat van op ook. Dat ís de Nederlandse taalcultuur. Bijna alle Nederlandse taalschrijvers gebruiken die formule weleens, het enige tv-programma over taal, De Tafel van Taal, is erop gebouwd – Daniëls is er de koning van.

Er zit ook wel een andere kant aan die werkwijze. Het is soms wel wat oppervlakkig en wat gemakkelijk. Daniëls noemt wel allerlei etymologische feitjes, maar zegt nooit waar hij het vandaan heeft. Meestal is dat als ik het goed zie het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, dus dat zit wel goed, maar het heeft iets merkwaardigs dat zulke feitjes zo zonder bron blijven worden gestrooid. Alsof dat inderdaad feitjes zijn die je nu eenmaal weet als je Wim Daniëls bent, en er niet een wereld van puzzelen en nadenken en onderzoeken achterzit.

Soms begrijpt Daniëls ook zelf geloof ik niet precies wat hij zegt. In een bespreking van factoren die bepalen in welke volgorde tweetallen (Joling en Gordon, klip en klaar, bruiloften en partijen, enkel en alleen) worden gezet, noemt hij onder meer:

Het woord dat in toonhoogte de hoogste klank heeft, staat voorop: mitsen en maren, listen en lagen.

De formulering wordt hier onhandig (“de hoogste klank in toonhoogte) maar er staat ook onzin: mitsen en listen zeg je niet per se op een hogere toon dan maren en lagen. Daniëls heeft dit waarschijnlijk uit een bron waarin wordt gezegd dat de i een hoge klinker is en de a een lage. Dat gaat in dit geval echter niet om toonhoogte maar om hoezeer je je mond sluit: de a is laag omdat je onderkaak laag hangt. Ik geloof dat Daniëls in deze zin laat zien dat hij soms dingen opschrijft die hij zelf niet begrijpt.

Ook dat zie je breder weerspiegelt in de Nederlandse taalcultuur: ze is leuk, ze is gezellig, ze is speels, maar ze wil dat ook wel blijven. Je moet nu ook weer niet écht proberen te begrijpen hoe alles in elkaar zit, want dat levert maar nodeloos gezwoeg op. Taal is vooral iets om fijn mee te spelen: misschien nog niet eens zozeer om mee te koken, maar mee te kokkerellen. Het is een taalcultuur die me liever is dan die van de pedantie en het geweeklaag, waar ik zelf in wortel, maar waarin ook wel wat erg veel gesnackt wordt, waar je af en toe toch ook naar een liefdevol bereide uitgebreide maaltijd verlangt.

Wim Daniëls. Koken met taal. Amsterdam: Thomas Rap, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.