Antwerpse grappen uit de zeventiende eeuw

Door Ton Harmsen

Op 11 maart 2017 kocht Ilse Dewitte op een veiling in Brugge Den wet-steen des verstants van Richard Verstegen. Een klein boekje van 122 bladzijden, in 1620 gedrukt in Antwerpen door Guilliam Lesteens. Verstegen is een auteur van Gelderse afkomst, wiens familie naar Engeland was uitgeweken. Hij studeerde in Oxford, was goudsmid in Londen, raakte betrokken bij een godsdienstige affaire en vluchtte daarom rond 1586 naar Antwerpen. Hij is dus geen Zuid-Nederlander van afkomst, maar toen zijn Wet-steen verscheen al ongeveer 35 jaar in contact met de Antwerpse taal.

Verstegen is in de neerlandistiek vooral bekend omdat hij, eveneens bij Lesteens, in 1622 zijn Scherp-sinnighe characteren uitgaf, een verzameling van honderd persoonsbeschrijvingen in de trant van Theophrastus. Deze Griekse auteur was in heel Europa populair: literaire beschrijvingen van menselijke deugden en vooral ondeugden deden het goed. In 1623 schreef Constantijn Huygens zijn Zedeprinten, die in de Otia van 1625 gedrukt zijn. Onafhankelijk van elkaar lieten Verstegen en Huygens zich inspireren door de talrijke Theophrastus-imitaties die in Engeland verschenen.

De aanschaf van het boekje inspireerde Ilse Dewitte tot het opzetten van een website met een volledige vertaling van de Wet-steen, verlucht met prentjes en commentaar. Omdat in Leiden de Wetsteen van Jan de Brune op het net staat vonden wij elkaar op de digitale snelweg en dat heeft ertoe geleid dat in een mum van tijd ook een teksteditie van Verstegens Wet-steen geproduceerd is. Op de voorkeurenpagina van de Opleiding Nederlands in Leiden staan beide boeken nu broederlijk naast elkaar. De Brune’s Wetsteen is een essaybundel die opgebouwd is uit klassieke citaten, die van Verstegen is een verzameling anekdoten en aforismen. De beide Wetstenen verschillen dus van opzet en van aard. Ik weet niet of dit nu een voorbeeld van toeval is, maar Jan de Brune schreef ook een boek in het anekdotische genre, namelijk Jok en ernst: dat is; allerlei deftige hofredenen, quinkslagen, boerteryen, raadsels, spreuken, vragen, antwoorden, gelikenissen; en al wat dien gelijkvormigh met de naam van Apophtegmata verstaan wort (Amsterdam, Jacob Lescaille, 1644). De Brune is geleerder en moralistischer: bij veel anekdotes geeft hij toelichtingen en commentaren. Een van zijn verhalen speelt in de omgeving van Utrecht:

ETtelike Ioffers en Ionkers quamen zeker Edelman op zijn huis, dat een uurtje van Utrecht lag, onverziens bezoeken. Toen hy ’t gezelschap bewilkomt hadde, zei hy, met de frankheit van een rechtschape borst, dapper vrolik met hun te willen wezen. Om zich in alles beter te quijten, riep hy een jongen, die hy zeer vlijtich, en, op allerlei soorten van gediensticheit, geweldigh afgereght hield. Zijn gezwintheit aan het zelschap prijzende, en zeggende dat hy t’Utrecht geweest, eer een ander de helft van de weg zou hebben gedaan, geboot hy hem een peert te zadelen, en, in alleryl, daar na toe te rennen, om ’er eenige behoeftigheden, tegens den aanstaanden middag te kopen. De jongen had noch geen vierendeel uurs uit de kamer geweest, of de huisheer zei tot zijn gasten: nu is hy al ten halven van de weg. Korts daar na sprak hy weder; nu gis ik hem ter poorten in te treên. Een oogenblik daar aan; nu, denk ik, komt hy weer te rugge; en naaulix kon er een halfuurtje verby wezen, of het was; nu, reken ik, moet hy niet ver van hier wezen. Naar een korte pause, als of hy zekerlik wist dat de knecht daar ontrent moest zijn, riep hy hem by zijnen naam, en, gelijk het wezen wou, zette de dienaar, in ’t zelfde gewrichte van tijt, zijn voet juist op den drempel, komende daar zijn heer was. Den Edelman vraagde; of hy alles verzorgt hadde? De jongen antwoorde; mijn Heer, ik en kan den toom van ’t peert niet vinden.
.            Jan de Brune, Jok en ernst (1644), p. 18-19.

Richard Verstegen vertelt dezelfde anekdote, maar wel wat smeuïger. Bij hem is het niet Utrecht, maar Toledo waar het verhaal zich afspeelt. In Antwerpen zal een mop over domme Spanjaarden het goed hebben gedaan.

EEnighe Jouffvrouwen van Toledo wilden eene Nichte die sy hadden, gaen besoecken, die int Kinder-bedde lach, en woonden een mijl van de Stadt, Soo sy daer ghecomen waeren, haeren man die riep sijnen knecht, en beval hem dat hy terstonts het peert soude nemen, en rijen met alle diligencie nae de Stadt om wat lacker dinghen te haelen, en comen stracx wederom, soo den knecht uit de camer ghegaen was, soo seyden de Jouffvrouwen, dat het noodeloos was om den knecht soo verre te seynden, ende dat het oock te langh aen loopen soude, eer dat hy wederom soude connen comen, ke neen seyde den Heer hy sal hem seer spoeden, ick wed dat hy alreets te peerde is, soo sy wat van ander dinghen ghecouwt hadden, soo vraeghden een van de Joufvrouwen hoe verre dat hem docht dat den knecht nu was, den Heer seyde dat hem docht dat den knecht nu wel half weghen was, coutende noch een poos tijts, een ander Jouffvrouwe vraeghde hem waer den knecht nu mocht wesen, nu seyde den Heer hy is in den bancket backers winckel en daer packt hy vast op sijn lacker dinghen, over een quartier uers, soo vraeghden een van de Jouffvrouwen wederom waer den knecht nu mocht wel wesen, nu seyde den Heer is hy halven wech na huys, ontrent een quartier van een ure daer nae, soo vraeghden een van de Joufvrouwen waer dat hem docht dat de knecht wel wesen mocht soo seyde den Heer, ick wed dat hy bycans aen de poort is, ende dat wy hem hier terstonts hebben sullen, recht met dat woort soo comt den knecht in de camer, dats wel dats wel seyde den Heer dat ghy u soo ghespoeyt hebt, voorwaer mijn Heer seyde den knecht, ick en can den toom van het peerdt niet ghevinden.
.            Richard Verstegen, Den wet-steen des verstants (1620), fol. H3r-H3v.

Verstegen weet de grap beter op te bouwen, en de context van een kraambezoek in Toledo geeft er een exotische draai aan. Hij kan ook pikant uit de hoek komen, zoals blijkt uit de volgende anekdote over een varkenshoeder:

EEnen Edelman int lant te peerde reysende vraeghden eenen boeren Soon die veel ionge verckskens hoede, wie de vercskens toehoorden, den ionghen antwoorden datse toehoorden zijn moeder, hy vraeghden hem wie zijne moeder was, de vrouwe van mijne vader, antwoorden den ionghen, doen vraeghden den Edelman wie sijnen vader was, dat moet ghy seyde den ionghen mijn moeder vraeghen, den Edelman dit hoorende nam den ionghen tot zijnen pagie ende tracteerde hem wel.
.            Richard Verstegen, Den wet-steen des verstants (1620), fol. H4r.

Tenslotte citeer ik uit Verstegen een wreed verhaal over een brutale gauwdief en een beul:

EEnen borse-snijder in Enghelant daer men al de borse-snijders ophanght, creech nochtans zoo veel genaede dat hy maer veroordeelt was om ghegeesselt te worden, soo den Beul inden kercker by hem quam eer datmen hem uit leyde om gegeeselt te worden, so gaf hy den Beul een stuc gouts op hem begeerende dat hy hem toch niet hert slaen en soude maer soo seer favoriseren als het meugelijc was den Beul nam het stuc gouts en beloofde hem dat hy alsoo doen soude; doen den borse-snijder nu ter plaetsen ghebrocht was daer hy ghegheesselt moest wesen, ende daer ontcleet was ende vast ghebonden, soo ghinck hem den Beul soo toe dat hy bloet haelden met den eersten slach, wel seyde den borse-snijder is dat gefavoriseert, heb ick u niet een stuck goudts ghegheven, en hebt ghy my oock niet anders belooft, wel ghy schelm seyde den Beul sult gy hier spreken in de executie vande Justitie, ende soo smeet hy al dapper aen aleven sterck, soo nu de Justitie ghedaen was ende dat den borsesnijder was los ghemaeckt, soo seyde hy tot den Beul: Ick belove u, ick sal u dit te pas brenghen, ende soo ghinck hy deur. Over eenighe maenden, soo men wederom ter selver stede moest vierschaer houden, soo comt desen borse-snyder daer, hebbende sijn haer ende baert doen scheren ende sijn cleederen heel verandert, alsoo dat hy scheen een heel degelijck persoon, en soo gaet hy heel dicht neffens een vande Heeren vande wet staen en treckt hem met groote behendicheydt zijn borse uit zijnen sack, en gaet daer nae heel dicht neffens den beul staen, die daer oock teghenwoordich was, en steckt hem met alsoo groote behendicheydt de borse in sijnen sack doen hy dat ghedaen hadde soo gaet hy by den heer uit wiens sack dat hy de borse genomen hadde en vraeghde hem oft hy iet verloren hadde, niet dat ick weet antwoorden hy, ende daermede tastende in sijnen sack hy gemisten sijn borse. Och seyde hy ick hebben mijn borse verloren, dat geloove ick wel seyde den borsesnijder want ick hebben gemerct dat den beul sijn handt uit uwen sack getrocken heeft ende datmen hem terstondts met die dienaers liet vatten ende sijn sacken besoecken ick geloove dat ghy weder aen u borse soudt gheraecken, den Heere dede dat also doen ende sijn borse wordt inden sack vanden Beul ghevonden, den beul die swoer dat hy niet en wist hoe de borse daer gecomen was, maer ten baeten hem niet, men ginck hem terstonts boeyen aen de beene doen en stelden hem onder die andere misdaedigers, dit gedaen sijnde so spoeyde hem den borse-snijder van daer, en ginck terstonts sijn hair en kaken doen raseren met het scharsmes, ende sijn tronie wat vuylachtich en leelijck maken, en heel slechte cleederen aen doen, ende soo quam hy en dede de weet aen de Heeren dat aenghesien dat hunnen scherprechter dieverij bedreven hadde ende in apparentie was om daerom te sterven, dat hy soude de Heeren wel willen dienen in sijn officie, de Heeren die van eenen anderen Scherprechter niet versien en waren, hebben hem aenghenomen, den anderen beul overmits dat hy op het feyt (soomen meynden) ghevonden was, is met andere misdaedighers verwesen te sterven, soo nu den nieuwen beul den ouden beul op de leer hadde ende den strop om den hals, ende vast aende galghe ghebonden was, soo vraeghde den nieuwen beul aen den ouden oft hy hem niet en kenden? Och neen seyden den ouden beul ick en hebbe u mijn leven niet ghesien dat my ghedenckt, weet ghy niet seyde den nieuwen beul dat ghy eens eenen geesselden die u een stuc gouts gaf om hem te favoriseren, ende dat ghy ter contrarien hem alsoo wreedelijck gheesselden als ghy immers cost, en hy swoer dat hy u dat te pas soude brengen, ende nu vraegh ick u oft ick u dat niet te pas en hebbe gebrocht? Den ouden beul dat hoorende riep aen den Rechter en seyde, hoordt eens mijn heer wat hy my hier seyt, wel ghy schelm, seyden den nieuwe beul, moet ghy hier spreecken in d’executie van de Justitie en daer mede wierp hy hem de leer af en trat hem in den hals en depecheerden hem, den selven nieuwen beul comende daer nae om een ander feydt gheiusticeert te wesen heeft dit also bekent.
.            Richard Verstegen, Den wet-steen des verstants (1620), fol. E7v-E8r.

De laatste achttien woorden klinken als een moreel lesje: de beurzesnijder die nu de nieuwe beul is, wordt zelf berecht en bekent de moord: boontje komt om zijn loontje. Maar ik denk dat Verstegen er vooral mee aan wil geven dat het verhaal als waar beschouwd moet worden: alleen door een bekentenis kan hij deze perfecte misdaad nu vertellen.

De Wet-steen van Verstegen is te vinden op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden en de website die Ilse Dewitte eromheen maakte heet Oude Grappen.

 

Dit bericht is geplaatst in edities, letterkunde, websites met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Antwerpse grappen uit de zeventiende eeuw

  1. Berthold van Maris schreef:

    Prachtig!

  2. Anton schreef:

    Verhaal (208) lijkt ook een beetje op het laatste verhaal, dat wel doet denken aan een fabel.

Reacties zijn gesloten.