Waarom woorden lenen?

Door Marc van Oostendorp

Bron: Facebook-pagina Onnodig Engels taalgebruik.

Waarom lenen we woorden uit andere talen? Ik kende de literatuur niet over die vraag, ik wist eigenlijk alleen maar van populaire verklaringen zoals dat het allemaal aanstellerij is, en dat een leenwoord gebruiken betekent dat je je wereldser voordoet dan je eigenlijk bent. Maar er bestaan dus ook mensen die er uitgebreider over hebben nagedacht. In het nieuwe nummer van Taal en Tongvalgeeft Esme Winter-Froemel een overzicht van de literatuur.

Er zijn, vinden de deskundigen, twee hoofdklassen. Winter-Froemel noemt zecatachretischen niet catachretisch. Catechretisch zijn woorden die een leemte vullen in de woordenschat van de taal, ze zijn niet in competitie met andere woorden. Het gaat bijvoorbeeld om woorden voor nieuwe technologie (smartphone) of voor nieuwe, niet eerder onderzochte manieren om de werkelijkheid te zien, zoals mansplainingConcurrentie

Niet-catachretische leenwoorden zijn logischerwijs wél in competitie met bestaande woorden – de NS noemt de mensen die vroeger conducteur heetten, train manager. Dergelijke woorden worden in sommige vakliteratuur kennelijk ‘luxury’ genoemd, de sjieke vorm van dat het allemaal aanstellerij is, maar eigenlijk laat het feit dat mensen hem gebruiken al zien dat ze hem kennelijk nodig vinden.

Bovendien kunnen woorden can catachretisch niet-catachretisch worden en omgekeerd. Taalgebruikers kunnen achteraf ‘inheemse’ woorden verzinnen – een Franse commissie kwam onlangs met mobile multifonction voor ‘smartphone’ – zodat een leenwoord alsnog competitie krijgt. Omgekeerd kan een ‘luxe’ leenwoord bestaande woorden dusdanig verdringen dat er eigenlijk geen concurrentie meer is – in veel talen is dat met ok gebeurd.

Knipt

Winter-Froemel wijst er, terecht, op dat we inmiddels weten dat woorden in talen nooit equivalent zijn. Er bestaan geen perfecte synoniemen, of in ieder geval worden zulke synoniemen al snel op verschillende manieren gebruikt. Fiets en rijwiel verwijzen allebei naar hetzelfde voorwerp, maar roepen een heel andere wereld op. Dat gebeurt ook met leen woorden, hoe niet-catachretisch ze ook zijn: een train manager is zodra je het in het Nederlands gebruikt iets anders dan een conducteur.

Ik denk dat precies dat feit ook de ergernis kan verklaren die mensen hebben bij een dergelijk woord. Het gaat er niet eens zozeer om dat er een woord wordt gebruikt “waar al een mooi Nederlands woord voor is”, maar dat iedere taalgebruiker meteen aanvoelt dat de NS pretendeert dat een train manager juist iets ánders is dan een conducteur. Zo werkt het taalgevoel: we weten dat er geen feitelijke synoniemen zijn, dus als iemand zich ineens tooit met een nieuwe functiebeschrijving, laat hij weten dat hij een andere baan heeft. Het lijkt me eigenlijk díe pretentie, die alleen maar wordt weerspiegeld in de taal, die irritant is, omdat je ziet dat de beste man of vrouw nog steeds dezelfde kaartjes scant (modern woord voor knipt, red.).