Lucebert valt niet ver van de boom

Door Jos Joosten

Karel Appel tentoonstelling in Haags Gemeentemuseum
*22 januari 1982

Gisteren schreef Marc van Oostendorp op  Neerlandistiek een verstandig stuk over Wim Hazeu’s biografie van Lucebert, strekking: had de biograaf niet bezonkener te werk moeten gaan en zijn materiaal verdergaand moeten analyseren? Ik denk dat Van Oostendorp een goed punt heeft. Hazeu’s eigen verhaal is dat hij, nadat hij de beruchte brieven van de jonge Lucebert in handen kreeg, zijn hele boek heeft herschreven. In werkelijkheid vallen de lezer vooral evident ingevoegde passages (vaak tussen haakjes) op in het genre: zou hij hier niet hebben teruggedacht aan zijn eigen misstap?

Veel curieuzer dan die, vaak nogal hineininterpretierende, overwegingen is de schets van de historische context. In het oog springt bijvoorbeeld Hazeu’s omgang met Karel Appel.

‘Karel Appel dacht niet aan gevaar.’, schrijft Hazeu. Om meteen daarop een karakterisering van de held in kwestie te geven: ‘Om pragmatische redenen was hij lid geworden van de Kultuurkamer, een variant van de Duitse Reichskulturkammer. (…) Het Departement van Voorlichting en Kunsten gaf hem financiële ondersteuning voor kostgeld en studie: 65 gulden (430 Euro in 2018) per maand. Het departement kocht van hem bovendien zes impressionistische schilderijen (…).’ Ten slotte meldt Hazeu dat Appel ‘een protégé was van de matige portretschilder en NSB-er Ed Gerdes, prominent heerschap van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten’.[p.78]

Het is natuurlijk een beetje aandoenlijk om te zien dat Wim Hazeu hier een vooraanstaand NSB-er 75 jaar na dato zomaar voor ‘matig portretschilder’ durft uit te maken en hem parmantig als ‘heerschap’ betitelt. Dat lijkt me verzetskruiswaardig. Relevanter dunkt me het frame dat Hazeu neerzet: de Grote Appel versus de fascistische prulschilder.

De Karel Appel die ‘niet aan gevaar’ dacht.

Maar welk gevaar bedoelt Hazeu precies?

Uiteraard is de discussie over fout en niet-fout in de afgelopen decennia zeer genuanceerd, maar mij dunkt dat Appel desondanks naar alle redelijke maatstaven ‘fout’ genoemd mag worden. Iets wat overigens geen nieuws is. Eind jaren zeventig stond het al in het proefschrift van Hans Mulder en recent beschreef Claartje Wesselink in haar dissertatie ‘Kunstenaars van de Kultuurkamer’ ook hoe Appel welbewust de hand boven het hoofd gehouden werd door Sandberg, de fameuze linkse directeur van het Stedelijk Museum.

Sandberg was vroeg op de hoogte gebracht van Appels oorlogsverleden door Amsterdamse oud-verzetsmensen. Deze informatie hield de ‘onnavolgbare Sandberg’ (dixit Hazeu) bewust achter. ‘Sandberg maalde er niet om’, meldt de biograaf ferm en hij voegt eraan toe dat de onnavolgbare museumdirecteur vast ‘ook niet om het verleden van Lucebert [zou] hebben gemaald, als hij daarvan op de hoogte was geweest’. [p.158] Sandbergs verdoezelen van informatie uit verzetskringen framet Hazeu als werk van verklikkers: ‘Op de envelop van een verklikkersbrief die Sandberg over Appel kreeg, schreef hij: “Opbergen”.’

Het is me niet duidelijk wat Hazeu precies beoogt met zoiets als zijn omgang met Appels oorlogsverleden. Ziet hij de misstappen van de schilder als verzachting in relatie tot Lucebert? Kwestie is dat hun beider ‘oorlogsverleden’ van een totaal verschillend karakter is. En opmerkelijk genoeg kun je over de respectieve ernst daarvan ook van mening verschillen.

Zelf zou ik geneigd zijn om – als het moet – Appels structurele en institutionele collaboratie veel zwaarder te laten wegen dan Luceberts, weliswaar zonder meer abjecte, uitlatingen als jongen van achttien in de privésfeer. Deze week stelde de Groningse hoogleraar Hans Renders bij ‘Met het oog op morgen’ juist precies het omgekeerde: Appel en Andreus betitelde hij als ‘meelopers’ terwijl hij Lucebert juist zijn uitlatingen veel kwalijker leek te nemen. Ook nu valt daar dus nog over te discussiëren.

Het voorbeeld van Appel laat vooral zien dat Hazeu als gevolg van de Lucebert-brieven uit Duitsland een onhandig soort verdediging heeft trachten op te bouwen. Wat dat betreft heeft Marc van Oostendorp volledig gelijk: de biografie was gebaat geweest bij zorgvuldiger onderzoek. Ik zou zeggen: nauwkeuriger studie van de oorlogsperiode en de periode er direct na; van de instituties die in het geding waren (te beginnen bij de complexe(re) geschiedenis van de Arbeitseinsatz). En een veel kritischere omgang met bronnen. Hazeu heeft er in de hele biografie so wie so nogal een handje van om contemporaine teksten, ongepubliceerd materiaal, interviews (het meest precaire genre voor elke literatuurhistoricus), persoonlijke mededelingen aan de biograaf én, als het zo uitkomt, poëzie van Lucebert op één hoop te gooien als geheel gelijkwaardige informatiebron. Het is toch nogal wat anders of je een terugblikkend interview met de gelauwerde Lucebert aanhaalt of een contemporain tekstfragment.

Ten slotte werd ook ik, al lezende, gefascineerd door een kwestie die Van Oostendorp aan de orde stelt:

‘Er wordt ons bijvoorbeeld niets verteld over wie Tiny Koppijn precies was. Terwijl het toch opvallend is dat Lucebert deze dingen alleen aan haar schreef en niet aan zijn andere vrienden of vriendinnen. Wat was zij voor iemand dat precies zij dit soort brieven kreeg? Waar gingen die epistels verder over? Wat was haar reactie op Luceberts smerige praatjes?’

De paar details die Hazeu namelijk wél noemt, geven aan dat daar inderdaad veel meer uit te zoeken was geweest. Lucebert leert Koppijn kennen als collega in een fotoatelier aan het Spui, waar ze beiden foto’s retoucheren van klandizie ‘van hoeren en andere vrouwen die Duitse soldaten wilden behagen met hun diepe decolletés op foto’s.'[p.66] Na het werk ging Lucebert regelmatig mee met Koppijn naar haar kamer, waar ze ‘over Duitse schrijvers kon spreken en gedichten in het Duits citeren’. [p.56] Koppijn zelf had ‘veel verdriet’ gehad, zo meldt Hazeu terloops, over haar eerste vriendje die ‘sneuvelde aan het Oostfront toen zij zeventien was’.[p.101] ‘Pro-Duits was zij niet’, zegt Hazeu meteen erachteraan, met als enige bron: een mededeling van Koppijns dochter in 2017.

Hier had (inderdaad) veel verder uitgezocht en gecontextualiseerd moeten worden: wat was de toon en setting van de specifieke combinatie van Lucebert en zijn hartsvriendin Koppijn in hun brieven? Welk referentiekader hadden zij? En: alleen zij. Lucebert deed kennelijk in andere brieven dergelijke uitlatingen niet. Wilde de 18-jarige Amsterdamse puber misschien zijn meisje imponeren met taalgebruik waarvan hij dacht het haar aanstond? Dat ze zich in afzondering eigen hadden gemaakt? Waarover waren al die gesprekken op Koppijns kamer – gelardeerd met Duitse dichters en gedichten in het Duits – gegaan?

Door het ontbreken van zo’n zorgvuldigere analyse van tekst en context lag het voor de hand dat Luceberts oprispingen gereduceerd zouden worden tot de journalistieke soundbites en het voorpaginanieuws dat ze werden.

En de conclusie zou na een zorgvuldiger analyse best dezelfde hebben kunnen blijven, maar dan in elk geval wel met reden.