Leren over taal is leren over gesprekken

Door Lucas Seuren

Wetenschap, elke wetenschap, begint met observatie. Wil je iets begrijpen, wil je ideeën, hypotheses, en theorieën kunnen vormen, dan moet je eerst je studieobject uitgebreid observeren. Pas als je na uren, dagen, weken, en misschien maanden denkt te begrijpen hoe je object werkt, dan pas kun je je ideeën gaan toetsen. Zo werkte Darwin, en zo zouden taalkundigen ook moeten werken: aldus introduceert taalkundig antropoloog Nick Enfield zijn nieuwste boek How We Talk. Maar, zegt Enfield, de taalkunde werkt helemaal niet zo.

Sinds de Chomskyaanse revolutie hebben we taal losgekoppeld van zijn natuurlijke omgeving: sociale interactie. We proberen taal te begrijpen, waarbij we de functie van taal volledig buiten beschouwing laten en afdoen als oninteressant of niet wetenschappelijk te onderzoeken. De cognitieve in plaats van de sociale wortels van taal zijn centraal gesteld, en dat levert een volstrekt verkeerd beeld van taal op.

Sociale Interactie

Wat zien we dan als we kijken naar sociale interactie? Enfield begint met een aantal fascinerende observaties: (i) de tijd tussen twee opeenvolgende bijdragen in een gesprek is gemiddeld maar 200ms, (ii) we wachten langer met nee zeggen, dan met ja zeggen, en (iii) voor elke 60 woorden die we produceren zeggen we één keer het woord eh of ehm. Dit lijken op het eerste oog misschien geen belangrijke observaties als we willen begrijpen hoe bijvoorbeeld de woordvolgorde in het Nederlands in elkaar zit, maar ze gaan volgens Enfield naar het hart van ons taalvermogen dat in het dierenrijk verder uniek is – voor zover we weten althans.

How We Talk bevat een uitgebreide bespreking van zestig jaar onderzoek naar taal in sociale interactie, waarbij Enfield de focus legt op de studies die hij en zijn collega’s hebben gedaan aan het Max Planck Instituut in Nijmegen. Hij leidt ons langs de meest fundamentele ontdekkingen over de organisatie van gesprekken en legt op een toegankelijke manier uit wat het belang van deze ontdekkingen is voor ons begrip van taal.

Van evolutie tot huh

Aan de ene kant besteedt hij daarbij aandacht aan die fenomenen van taal die andere taalkundigen ook bezig houden, maar geeft hij aan dat de antwoorden vanuit de verschillende vormen van interactieanalyse heel anders zijn dan van anderen taalonderzoekers. Grammatica is geen product van cognitie, maar van interactie. Taal is over een langere periode geëvolueerd en heeft zich in die evolutie aangepast aan zijn omgeving. Talige structuren die beter gedijen, die een overlevingsvoordeel genieten, zijn bewaard gebleven, terwijl andere structuren zijn verdwenen. Net als in het dierenrijk heeft dit proces een enorme diversiteit opgeleverd omdat de omstandigheden waarin taal gebruikt wordt overal in de wereld anders zijn. Daarmee verklaart hij natuurlijk nog niet waarom we in het Nederlands bijvoorbeeld normaal het onderwerp vooraan de zin zetten, maar het betekent dat er niet zoiets bestaat als een universele grammatica

Aan de andere kant heeft Enfield veel aandacht voor fenomenen die door taalkundigen volstrekt niet serieus genomen zijn. Woordjes zoals ehm en huh/. Dit zijn woorden zonder duidelijke semantische betekenis; ze beelden bijvoorbeeld niet iets af in de wereld of in onze fantasie. Je komt ze ook vrijwel niet in woordenboeken tegen. De Van Dale bespreekt bijvoorbeeld wel de hè die we kennen als “uitroep van oplichting”, maar niet de hè die we gebruiken als we iemand niet gehoord of begrepen hebben. Terwijl juist die dat soort woordjes door hun reflexieve functie inzicht geven in hoe taal werkt. Volgens Enfield en zijn collega’s is huh/hè zelfs een universeel woord: in vrijwel dezelfde vorm vinden ze het in talen over de hele wereld uit totaal verschillende taalfamilies.

Social grooming

Dat soort observaties zouden ons ertoe moeten aanzetten om naar taal te kijken als onlosmakelijk verbonden met sociale interactie. Enfield haalt hierbij het werk aan van antropoloog Michael Tomasello en evolutionair psycholoog Robin Dunbar. Volgens Dunbar is taal ontstaan als middel om efficiënter te vlooien (“social grooming”). Bavianen vlooien om sociale relaties te onderhouden en duidelijk te maken wie met wie bevriend is. Taal vereenvoudigt dat proces en zorgt ervoor dat we met meer mensen kunnen “vlooien”. Tomasello sluit zich daarbij aan door te argumenteren dat er drie basishandelingen zijn, en dat we daarvoor een steeds complexere grammatica nodig hebben. Taal is gevormd naar het doel, niet andersom.

Het betoog van Enfield is voor mensen die bekend zijn met zijn werk en dat van zijn collega’s natuurlijk grotendeels bekend, maar het is dan ook geschreven voor mensen die niet op de hoogte zijn van interactieonderzoek: de geïnteresseerde leek. Hij legt complexe theorieën eenvoudig uit en gebruikt heldere en inzichtelijke voorbeelden. Van tijd tot tijd redeneert hij voor mijn smaak te veel vanuit de menselijke cognitie, en niet alle theorieën die hij presenteert zijn natuurlijk zo onbetwist als misschien wordt gesuggereerd (en hij is wel heel hard voor generativistische taalkundigen), maar hij geeft een prachtig overzicht van de geschiedenis en de huidige staat van interactieonderzoek. Je zult als je het boek uit hebt dan ook nooit meer op dezelfde manier naar een gesprek kunnen kijken.

Nick J. Enfield. How We Talk: The Inner Workings of Conversation. New York: Basic Books, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.

Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.

4 reacties op Leren over taal is leren over gesprekken

  1. DirkJan schreef:

    Begin overpeinzing.

    Ik zag op Twitter een berichtje voorbijkomen dat baby’s met een hersenafwijking in het taalcentrum, toch een goed functionerend taalvermogen ontwikkelen door andere gebieden van hun hersens hiervoor te gebruiken.

    Toen dacht ik toch even, Wellicht is taal dan niet aangeboren, maar een ontdekking van de mens doordat ze een spraakvermogen kreeg. Taal zoekt een plek in de hersens en ontwikkelt zich volgens de spraak en grammatica die de mens modelleert. Wellicht was de oertaal zo sterk dat alle talen die er nu zijn daar nog steeds sterk aan zijn verwant. Misschien liggen die universele taalwetten helemaal niet bij onze geboorte vast.

    Einde overpeinzing.

  2. Jos Van Hecke schreef:

    Heel interessant, spreekt me aan en ga het boek lezen; een (bepaalde) taal is mijns aanvoelen niet enkel een sociaal verschijnsel maar in wezen ook een (cultureel) produkt van een (bepaalde) gemeenschap; in de hersenen zit geen ‘taal’ maar een algemeen menselijk DNA bepaald geheugen/denk- en voorstellingsvermogen, gekoppeld aan alle menselijke ‘zintuigen’ (sensoren), waardoor zelfs een blinde kan ‘zien’; ‘grammatica’ of ‘spraak-kunst’, wat dat ook moge voorstellen,
    – mijns inziens is alles aan en in een taal ‘grammatica’ of ‘spraak-kunst’ – is in die zin dan ook een synoniem voor een welbepaalde taal van of gebezigd door en in een gemeenschap. ‘Taal’ op zich is mijns inziens dan ook een volkomen leeg begrip, daar zit niets in, geen vlooi, zelfs geen ‘uh’, geen ‘boe ‘ of geen ‘ba’.

Reacties zijn gesloten.