Hella S. Haasse honderd jaar

Door Peter van Zonneveld

Vandaag zou Hella S. Haasse honderd jaar zijn geworden. Dat heeft ze niet gehaald, maar het scheelde niet eens zo veel. Ze overleed in 2011, op ruim 93-jarige leeftijd. Een lieve, wijze, bescheiden en tegelijk zelfbewuste vrouw, met uitzonderlijke gaven. Meer dan dertig jaar ben ik met haar bevriend geweest. Deze dag roept veel herinneringen op.

Gisteren kreeg ze een schitterende gedenksteen in de vloer van de Nieuwe Kerk, die door haar kleindochters Merel en Alissa van den Berg werd onthuld. Herman Pleij vertelde op zijn eigen, bevlogen wijze over eerbetoon aan schrijvers en dichters in kerken. Biografe Aleid Truijens gaf ons alvast een voorproefje door te laten zien, dat de jeugdige Hella in Indië meer geïnteresseerd was in jongens dan in huiswerk maken. Georgina Verbaan las heel goed en levendig voor uit Oeroeg en Willem Nijholt declameerde op zijn gedragen toon twee jeugdgedichten. Een mooie ceremonie, met familie, vrienden en bekenden. Een passende hulde aan een groot schrijfster en een uitzonderlijke vrouw.

Ik kende haar vanaf 1980. We zouden een boek maken over begraafplaatsen, met een essay van haar en gedichten die ik zou verzamelen. Dat is er niet gekomen, maar de vriendschap is gebleven. We hadden het meestal over Indië, haar geboorteland. Ze kon daar boeiend over vertellen. Niet alleen in vraaggesprekken die ik met haar had, maar ook thuis. Indië heeft en groot stempel op haar oeuvre gedrukt. Zowel op de boeken die zich daar afspelen, maar ook op haar andere werk. In 1991 werd ze erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Voorzitter Rudy van der Paardt hield de laudatio, en ik sprak over de plaats van Indië in haar werk. We konden toen nog niet weten, dat Insulinde in haar literaure creaties steeds prominenter aanwezig zou zijn

In 1992 verscheen Heren van de thee, een historische roman over West-Java, op basis van documenten. Toen ik in 1984 bij haar verbleef in Saint-Witz, stond er onder mijn logeerbed een doos met archiefmateriaal. Ik wist de neiging om daar ’s nachts in te gaan grasduinen, met moeite te onderdrukken. Het is een belangrijk boek, ook al omdat het verschillende vooroordelen bestrijdt. Niet iedereen die naar Indië ging, was een mislukkeling. Deze theeplanters waren geen uitbuiters, maar hadden hart voor de plaatselijke bevolking. Het bestaan op zo’n onderneming was, zeker in het begin, niet luxueus maar primitief. Dat betoogde ik in een lezing in het Letterkundig Museum, met Hella en haar man op de eerste rij.

Hella S. Haasse en prinses Beatrix scheelden vrijwel precies twintig jaar. We hebben immers net de tachtigste verjaardag van de laatste gevierd. In 1993 ontving Hella uit handen van de koningin een hoge onderscheiding in de Huisorde van Oranje. Op Paleis Huis ten Bosch werd haar een feestelijk diner aangeboden. Een klein gezelschap: Beatrix, Claus, Willem Alexander en een kamerheer, Hella, haar man Jan, de dochters Ellen en Marijn en hun partners, en drie vrienden. Eén van die vrienden was ik. Die avond sprak ik vooral met de kroonprins. Vorig jaar, toen ik zelf erelid van de Maatschappij werd, heb ik het daar nog uitgebreid met de koning over gehad. ‘Mijn moeder was zeer op haar gesteld’, vertelde hij. ‘Dat was wederzijds’, zei ik. Beatrix nam tijdens vakanties altijd een boek van Hella mee. Toen ik haar nadien nog een paar keer ontmoette, informeerde ze naar Hella en vroeg me om haar de groeten te doen.

In juni 1997 ben ik met Gwynne getrouwd. Voor haar Amerikaanse familie moesten we wel iets bijzonders organiseren. Dat werd een ceremonie op slot Oud-Zuilen, een rit met echte negentiende-eeuwse koetsen naar de Vecht en een boottocht op die rivier met een klassiek vaartuig, de ‘Eleonora’. Ik aarzelde om Hella en haar man uit te nodigen – de bruiloft duurde een hele dag – maar heb het toch gedaan. Later vertelde ze me hoe leuk ze dat vond, want ze had nog nooit in zo’n oude koets gereden, en de boottocht in dat historisch decor met al die buitens was haar ook heel goed bevallen.

Wat ik ook niet snel zal vergeten, was de presentatie van haar roman Sleuteloog in het Tropenmuseum, in november 2002. Tijdens deze manifestatie viel opeens het licht uit, zodat het optreden van Willem Nijholt en van mij in het halfduister plaats vond. Mijn aantekeningen kon ik niet meer ontcijferen, zodat ik het uit mijn hoofd moest doen. Charlotte Mutsaerts was zeer geschrokken. Ze dacht dat het om een terroristische aanslag ging… Hella had mij het manuscript van tevoren laten lezen, met de vraag of er historische fouten in stonden. Dat was natuurlijk helemaal niet het geval, maar ik ontdekte wel meteen wie model had gestaan voor de mannelijke hoofdfiguur in het boek. Dat moest wel Douwe Radsma zijn, haar jeugdvriend uit Indië, met wie ze later in Amsterdam ook nog verloofd is geweest. Ik meen dat ze bloosde toen ik haar daarmee confronteerde. Had ze hem nadien nog teruggezien? Ja, zei ze, hij was directeur-geneesheer van een ziekenhuis in Georgia geworden, en daarna, lijdend aan dementie, op de Antillen gestorven.

In 2004 verscheen een van haar laatste boeken, Bij de les, over schoolplaten van Nederlands-Indië. Ze zou optreden in een van de Haagse Winternachten, maar ze was ziek en vroeg me of ik er heen wilde gaan. De organisatie had ook anderen uitgenodigd om hun mening over haar werk te geven. Dat was erg leuk. Ik herinner mij vooral hoe sympathiek en vrolijk ik het optreden van Helga Ruebsamen vond, die haar wortels ook in Indië had. Nadien moest ik Hella precies vertellen wat er allemaal was gezegd.

Het stoorde me dat er in de literatuur altijd sprake was van de Grote Drie, en dat zij buiten beschouwing bleef. Daarom heb ik met Anthony Mertens het plan opgevat om een essaybundel over haar werk uit te geven. Als titel bedacht ik, ‘Een nieuwer firmament’, bedoeld om haar de plaats te geven die haar in de literaire sterrenhemel toekomt. Anthony werd helaas getroffen door een herseninfarct, maar vooral dankzij Arnold Heumakers is dat boek er toch gekomen, in 2006. Die schreef er twee uitstekende stukken in, waar ze heel blij mee was, zoals ze mij vertelde.

Nadien heb ik haar nog meermalen bezocht. Ze schonk mij ooit de ansichtkaarten die ze tijdens haar reis van Indië naar Nederland in 1938 verzameld had, kaarten die haar vader haar toestuurde, oude prenten, en later boeken uit de nalatenschap van haar in 2008 overleden man. Dat alles koester ik, net als de vele opdrachten in haar eigen boeken. Tijdens een van mijn laatste bezoeken, kort voor haar dood, vertelde ze me hoe ze genoot van het geluid van de papierversnipperaar. Ze was van alles aan het vernietigen waarvan ze vond dat het niet bewaard moest blijven. Ik heb geen idee wat dat was. De schrik sloeg me om het hart. Maar laten we blij zijn met wat ze ons heeft nagelaten. Aan boeken, documenten, foto’s, opdrachten en herinneringen. Dat is veel. En niemand zal nu de Nieuwe Kerk kunnen betreden zonder ook even aan Hella S. Haasse te denken.