Gedicht: Karel van den Oever – Oud-hollandsche winter-avond

Oud-hollandsche winter-avond

De winter vriest de luchtstulp ijl
en wademt blauwe nachten;
geen bosch verwalmt, geen polder doomt,
kristaal-hard zijn de grachten;

dan is ’t in Holland koud en stil,
de turf riekt in de dorpen
en ’s avonds heeft op ’t vriezig raam
het turfvuur gloed geworpen;

de lucht wordt noordsch dan, guur en hol;
de glaas’ge hoorn van ’t maantje
zit als een scherfje geel citroen
en gluurt op laan en baantje;

dan blauwt de zilver-tinnen gracht
waar ’t schaverdijntje op blikkert:
ei, telkens glimpt een straffe flits
die ’t spieglend ijs weerflikkert;

want ’t ijs glinst glad in kil en sloot;
de schaverdijnen gieren;
langs strakke schuit en koolzwart bies
de schimmen schommlen, zwieren;

ze snorren onder ’t wrak gewelf
van een verbrokkeld brugje,
of scharr’len langs den bochtgen wal
met lachjes en met kuchjes,

‘dat d’huiken staan van Noordwind bol,
de mutsplumagies rillen,
de bouwen, kap en troesbroek dik
als verkensblazen zwillen;

en onder ’t blauwig licht der maan
zijn ’t zwart-geëtste ventjes
die over ’t ijs scharminklen, lijk
op oude landschap-prentjes;

en vér, omkraald van ’t stargesproei
staan boomen, molens, huizen
maanblauwig uitgesneden, als
op Delftsche heerdplavuizen…

Karel van den Oever (1879-1926)

———————————–