Gedicht: Jacques Perk – Dag

Dag

En over ’t wak van pek, dat schijnt te schragen
Het hol gewelf, waar langs een doodendans
Van fakkelglansen spookt, voel ik mij dragen
Door wagglend hout… ’t licht dooft – ’t is duister thans…

Nu drijft de kiel, waar een albasten trans
Zóo rijst, als zinkt het diep der waterlagen, –
En uit de verte lokt een maanlichtglans,
Een troost van medelij voor wie vertsagen:

Een kreet van levenslust dringt uit het hart,
En duizendwerf tot in het hart der aarde,
Weergalmt hij door het doodenrijk der smart…

Dáar is het licht, het leven, liefde en lust,
’t Is of ik ’t alles nooit voorheen ontwaarde,
De traan wordt lach en de onrust zoete rust.

Jacques Perk (1859-1881)
uit: Gedichten (1882)

———————————–