Een taalkaart is een kristal

Door Marc van Oostendorp

Bron: D.P. Blok en Jo Daan. Van Randstad tot landrand (1968)

Er is in Nederland, een gebied waar ze een harde g gebruiken en een gebied waar we een zachte g zeggen. Aangezien dat zo is, is er natuurlijk ook een grens tussen twee gebieden: een isoglosse noemen we die. En zulke isoglossen bestaan er voor allerlei verschijnselen: die tussen het gij– en het jij-gebied, die tussen het lope- en het loopm-gebied, enzovoort.

Soms vallen die isoglossen (min of meer) samen: een isoglossenbundel. Als zo’n bundel heel diep is – als hij veel isoglossen bevat – heb je de grens tussen twee dialectgebieden. Hoeveel isoglossen daarvoor nodig zijn en of alle isoglossen even zwaar wegen, daarover kun je natuurlijk eindeloos discussiëren, maar de meeste taalkundigen laten dat wijselijk in het midden.

Wat bepaalt nu waar een isoglosse precies loopt? Op de kaart hierboven correspondeert het feloranje gebied bijvoorbeeld met ‘het Limburgs’, maar niet precies met het territorium van de Nederlandse en Belgische provincies Limburg. De taalgrenzen hebben hun eigen dynamiek.

Moleculen

In een nieuw artikel in Royal Society Open Science doet de Britse wiskundige James Burridge iets tamelijk spectaculairs: hij laat zien hoe je de isoglossen kunt voorspellen met een natuurkundige theorie die ontwikkeld is voor kristalvorming.

Wanneer stoffen kristalliseren, groeperen moleculen met dezelfde samenstelling zich in groepen; de grenzen tussen die groepen (en daarmee de vorm van het kristal) wordt bepaald door bepaalde eigenschappen van die moleculen. Met precies dezelfde formules kun je, zegt Burridge ook isoglossen gaan bepalen.

In plaats van moleculen nemen we dan sprekers. De moleculaire eigenschappen zijn de woorden, klanken en grammaticale constructies die ze gebruiken.

Preciezer beeld

Het idee is dat sprekers deze eigenschappen van elkaar kunnen overnemen als ze in contact staan met elkaar, en dat contact tussen twee mensen gemakkelijker is als ze bij elkaar in de buurt wonen. (Dat is natuurlijk ook altijd het idee geweest in de dialectologie.) Daarnaast zijn er een aantal mensen in dichtbevolkte gebieden (steden) die ‘metropolitaans’ worden. Metropolitanen communiceren ook met andere metropolitanen die verder weg wonen – in andere steden.

Deze betrekkelijk eenvoudige  aannamen blijken een verbazingwekkend precies model te kunnen opleveren van waar isoglossen komen te liggen, zo laat Burridge zien aan de hand van een aantal kaarten van dialectgebieden in Italië. Met nog wat eenvoudige verrijking (niet iedere isoglosse loopt op dezelfde plaats en dat komt misschien door een soort inherente aantrekkelijkheid van de ene taalvorm boven de andere) kun je een nog preciezer beeld krijgen.

Laatste woord

Het artikel heeft voor een taalkundige iets licht verontrustends omdat de aannamen waarop het gebaseerd is zo simpel zijn. Meestal neem je bijvoorbeeld aan dat de verbreiding van een verschijnsel iets te maken heeft met cultureel en economisch prestige: heel veel taalkundige verschijnselen zouden om die redenen uit Holland naar andere gebieden zijn getrokken. Als ik Burridge’ artikel goed begrijp, heeft hij dat prestige niet nodig. Het feit dat er in Holland zoveel mensen wonen volstaat. Hoe meer mensen ergens wonen hoe groter de magnetische kracht van dat gebied. (Dat die mensen er wonen komt op zijn beurt natuurlijk omdat ze er vertier en werk kunnen vinden, dus indirect is die verklaring er nog wel. Maar een rechtstreekse verwijzing ernaar is niet nodig.)

Volgens Burridge kun je met het model ook begrijpen hoe dialecten uiteindelijk verdwijnen als je externe factoren zoals grotere mobiliteit erin betrekt, waardoor mensen op grote schaal eigenschappen met elkaar gaan uitwisselen. Het laatste woord over zijn model is daarmee nog niet gezegd, maar het lijkt me wel een artikel om wat woorden aan te wijden.