Een foto van gaan en zullen

Door Marc van Oostendorp

Een van de interessante aspecten van taalverandering is dat ze niet in één klap gebeurt. Nooit is voorgekomen dat een heel land op een ochtend opstond en eensgezind de woorden op een andere manier gebruikte. Het is eerst een klein groepje die de woorden in sommige omstandigheden anders gebruikt, en gaandeweg breidt het gebruik zich uit: meer mensen, meer omstandigheden.

En dat zich uitbreiden kan soms eeuwenlang voortduren: een periode die de generaties omspant en waarin mensen soms het ene zeggen, en dan het andere.

Zo zit het met gaan, dat gaandeweg (haha) de plaats van zullen aan het overnemen is: niet meer ik zal komen’, maar ‘ik ga komen’. In een inmiddels grijs verleden zei iedereen het eerste, en als de zaken blijven voortgaan zoals ze nu gaan zal in een betrekkelijk ver verleden iedereen het tweede zeggen. Ondertussen zitten we in een situatie waar de meeste mensen allebei de dingen soms zeggen – de ene vorm meer dan de andere. (Vlaanderen loopt enigszins voorop in het gebruik van gaan.)

En aan de variatie die er nu is kun je de geschiedenis aflezen, laat Carol Fehringer zien in een nieuw artikel in Nederlandse TaalkundeNeem een polaroid van hoe wij die vorm gebruiken en je ziet weerspiegeld waar het naartoe gaat. Het is net alsof de taalgemeenschap, als je alle mensen bij elkaar optelt, de hele geschiedenis weerspiegelt.

Uitgebreid

In de middeleeuwen werd gingen alleen met een ander werkwoord gebruikt als er een letterlijke component van gaan in de betekenis zat:

dat si verbiten delpendiere
alsi gaen drinken ter riuiere
(dat ze de olifanten doodbijten
als ze bij de rivier gaan drinken
Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme)

Dit was de enige mogelijkheid om gaan te gebruiken: de olifanten gaan drinken omdat ze ook echt gaan. Vanaf de zeventiende eeuw werd dat gebruik uitgebreid, zegt Fehringer, en ze geeft een voorbeeld van Wolff en Deken (Historie van den heer Willem Leevend):

Nu verzoek ik, dat gy attent zyt, want ik ga u iets vertellen

Maar ook in die tijd kon je gaan nog steeds niet zo maar gebruiken. Meestal ging het, net als in dit voorbeeld, om uit te drukken dat iemand van plan was om iets nu meteen te doen.

De volgende eeuw

Inmiddels lijken al die beperkingen gaandeweg verdwenen. Je kunt gerust zinnen vinden zoals:

Door de klimaatverandering gaat het in de volgende eeuw hard waaien.

De het die het onderwerp van deze zin is, heeft geen mogelijkheden tot wandelen, maar ook niet (a la Wolff en Deken) om plannen te maken voor de nabije toekomst. Bovendien geldt ‘de volgende eeuw’ niet echt als de nabije toekomst. Desalniettemin kunnen veel mensen dit tegenwoordig gemakkelijk zeggen.

Handelende persoon

Een enkele keer is er nog wel een betekenisverschil. De volgende voorbeelden komen uit de Algemene Nederlandse Spraakkunst:

  • Wat gaat er morgen gebeuren?
  • Wat zal er morgen gebeuren?

De tweede zin betekent doorgaans iets als ‘wat hangt ons boven het hoofd?’, de eerste zin meer ‘wat staat er op het programma?’ (De ANS wijst er trouwens ook op dat een combinatie van de twee ook mogelijk is: Wat zal er morgen gaan gebeuren? Naar mijn smaak heeft dat vooral de programma-nuance.)

Uit Fehringers onderzoek blijkt nu dat al die beperkingen uit het verleden nog steeds gelden, maar alleen als statistische tendens. De kans dat iemand gaan gebruikt is bijvoorbeeld, zowel in Nederland als in Vlaanderen, net wat groter als het onderwerp een ‘agent’ is (een handelende persoon, meestal een mens) dan wanneer het onderwerp bijvoorbeeld alleen het onpersoonlijke het is. Zoals uit de figuur hierboven blijkt, hebben Nederlanders bij een niet-agentief onderwerp eigenlijk nog liever zullen. Vlamingen geven ook in dat geval een voorkeur aan gaan, maar die voorkeur is wel veel kleiner dan bij een agentief onderwerp.

Het gold ook voor de andere soorten beperkingen die Fehringer onderzocht: je vond ze allemaal nog terug. We zijn de middeleeuwen nog niet vergeten, al zijn we onderweg naar een stralende toekomst.