De onzin van overwerkverheerlijking

Door Anna-Luna Post

Op maandag 12 februari publiceerde taalwetenschapper Marc van Oostendorp een stuk op Neerlandistiek.nl over werk- en onzindruk in de wetenschap. Van Oostendorp kaart in zijn stuk een belangrijk punt aan: de doorgeslagen bureaucratie aan universiteiten die wetenschappers van hun kerntaken (onderzoek en onderwijs) afhoudt. De vele regels en eisen die aan onderzoekers en docenten worden opgelegd dragen zeker niet bij aan goede wetenschap, en ik ben het geheel met Van Oostendorp eens dat wetenschappers zich daar kritischer en harder tegen moeten opstellen. Maar Van Oostendorp reageert ook op een paar belangrijke berichten die de afgelopen tijd verschenen, waaronder het onderzoek van Times Higher Education naar de balans tussen het werk en privéleven van wetenschappers. Hier schuilt het venijn: Van Oostendorp vindt dat de werkdruk niet hoog genoeg kan zijn en dat het ‘absurd [is] om te spreken van een work-life balance bij een academicus.’

Ik ben het met hem oneens op twee punten. Ten eerste ga ik als jonge wetenschapper met veel plezier naar mijn werk. Ik besteed er geregeld in de avonduren of de weekenden tijd aan en hoop dat mijn hele leven te kunnen blijven doen. Maar hoewel ik zeker gedreven word door nieuwsgierigheid en enthousiasme voor het verleden, zie ik de wetenschap ook gewoon als werk. Het is waar ik mijn huurhuis van kan betalen, de boodschappen van kan doen, van op vakantie kan, en waarmee ik ook de niet-wetenschappelijke boeken koop die ik in het weekend graag lees. Want naast mijn werk heb ik ook andere interesses: literatuur bijvoorbeeld, series en kunst. En ik ben ook weer niet zo’n vakidioot dat ik altijd de voorkeur geef aan het gezelschap van de mannen en vrouwen uit mijn vroegmoderne bronnen boven dat van familie en vrienden, dus in de weekenden zie ik die ook graag.

Hoewel ik dus zeker gedreven word door nieuwsgierigheid, draait niet mijn hele leven om de wetenschap. Het zou ook niet moeten hoeven; het romantiseren van de wetenschap als enige roeping doet denken aan een Victoriaans discours van een klein groepje welgestelde mannen dat zich in alle vrijheid aan het onderzoek kan wijden. Maar gelukkig is wetenschap niet langer voorbehouden aan zo’n groep, en staan wetenschappers tegenwoordig meer in de maatschappij dan vroeger. Van Oostendorp lijkt echter terug te willen naar de situatie van weleer. Hij ridiculiseert het verlangen ook nog andere dingen te doen naast wetenschap en geeft aan niet erg onder de indruk te zijn van de 6 uur die wetenschappers in hun weekend gemiddeld werken: “Wat (sic) besteden die lui dan die 42 andere uren van het weekeinde aan? Hobby’s? Een cryptogram?”

Mijn tweede bezwaar tegen Van Oostendorps stuk hangt hiermee sterk samen. Ik zei het al: ik blijf dit werk graag mijn hele leven doen. Maar dan zal ik wel banen moeten vinden in de wetenschap. Ik heb nu eenmaal niet de luxe om dit werk gratis te kunnen doen – los van de vraag of dat wenselijk zou zijn. Om een baan te vinden is het noodzakelijk in onderwijs en onderzoek uit te blinken, maar ik moet ook met een (steeds groter) aantal publicaties op mijn CV pronken. Ik zou mij – zeker in het weekend – ook liever bezighouden met andere zaken, maar ontkom er niet aan me af en toe zorgen te maken om publicatiemogelijkheden of fondsenwerving: zonder krijg ik immers geen baan.

Volgens Van Oostendorp zou er in de wetenschap echter geen ruimte moeten zijn voor mensen die zich daar druk om maken. Hij schrijft, over een vrouw die de wetenschap achter zich liet en blij is zich in het weekend geen zorgen meer hoeft te maken over publicatiemogelijkheden: ‘Blij toe dat zo iemand is opgehoepeld uit het onderzoek […]. Mensen die zich in het weekeinde zorgen gaan maken over “publicatiemogelijkheden” in plaats van eens goed na te denken over hun vakgebied, eens wat literatuur te lezen, iets interessants te doen: ze lopen nog te veel in ons midden rond.’

Hiermee doet Van Oostendorp een grote groep (veelal jonge) wetenschappers ernstig tekort. De onzekerheid die het academisch werk met zich meebrengt zorgt echter ook voor stress, die kan leiden tot psychische klachten en burnouts – ook bij degenen die hun werk met veel plezier doen. Deze groep vertellen dat ze eigenlijk inferieure wetenschappers zijn ten opzichte van degenen die zich blijkbaar geen zorgen hoeven te maken om banale zaken als geld of hun cv, is een onnodige trap na.

Hiermee draagt Van Oostendorp bovendien niet bij aan een oplossing van het probleem, maar maakt hij dat erger. Want door te betogen dat de roeping van de wetenschap zó groot is dat die ook de weekenden omvat, evenals met het veelgehoorde cliché dat je wetenschap niet voor het geld moet doen, doe je jezelf en de wetenschap tekort. Daarmee geef je ruim baan aan het idee dat je doordeweeks best ‘onzintaken’ kan uitvoeren: het verfoeide managen en verantwoording afleggen. Immers, je bent zo gegrepen door je vakgebied dat je er eigenlijk geen beloning voor hoeft te ontvangen, en je datgene waar het echt om gaat – het onderzoek –in je vrije tijd doet.

Van wetenschappers mag inderdaad een kritische houding worden gevraagd, óók ten opzichte van de eigen cultuur van overwerkverheerlijking.

Dit stuk verscheen eerder op weblog Over de muur.