Acht baanbrekers in het moedertaalonderwijs tussen 1769 en 1936


Door Hans Hulshof

Pioniers, voortrekkers, wegbereiders, innovators, nieuwlichters, iconen: zij ontsloten elk op hun eigen manier nieuwe wegen en terreinen voor de ontwikkeling van het moedertaalonderwijs. Zij ‘vertaalden’ nieuwe ideeën op het gebied van taal, filosofie en pedagogiek naar de praktijk van het moedertaalonderwijs in artikelen, schoolboeken en didactische handleidingen. Zij spraken zich uit over de inhoud van het schoolvak. Het zijn stuk voor stuk onderwijsmensen (mannen, heren) die je nu nog graag eens zou willen spreken.
In feite gaat het om cultureel erfgoed in het kader van de (helaas nog niet bestaande) canon van het moedertaalonderwijs. Een eerste proeve.

Achttiende eeuw

Kornelis van der Palm (1730-1789): Nederduitsche Spraekkunst voor de jeugdt (1769).
Uitmuntende schoolmeester-pedagoog. Schreef schoolboek expliciet gericht op leerlingen. Voorzag in een lacune met een toegankelijke schoolgrammatica, gebaseerd op eigentijdse grammatici.

Negentiende eeuw

Nicolaas Anslijn (1777-1838): Nederduitsche Spraakkunst voor eerstbeginnenden (1814).
Maakte redekundige ontleding als verstandsoefening mogelijk. Ontpopte zich als rasonderwijzer van de Verlichting. Bestreek alle onderdelen van het moedertaalonderwijs en andere schoolvakken. Publiceerde veel pedagogische artikelen ter ondersteuning collega’s.

Cornelis den Hertog (1846-1902): Nederlandsche Spraakkunst (1892-1896), artikelenserie ‘Nieuw taalonderwijs’ in Het Schoolblad (1895).
Didactisch vertaler van wetenschappelijke opvattingen. Te vergelijken met Anslijn in zijn tijd. Eclectisch onderbouwde systematisering van het grammaticaonderwijs. Te typeren als een schoolmeesterlijk grammaticus.

Gerrit Kalff (1856-1923): Het onderwijs in de moedertaal (1893).
Wetenschapper voor de klas; in 1883 als eerste gepromoveerd in de Nederlandse letteren. Schreef de eerste moedertaaldidactiek in boekvorm, gebaseerd op autobiografische praktijkkennis. Hield als een van de eersten een onderbouwd pleidooi voor een lerarenopleiding Nederlands.

Jan van den Bosch (1862-1941): Pleidooi voor de moedertaal, de jeugd en de onderwijzers (1893), ‘Over het oude en het nieuwe taalonderwijs’ (1895). In discussie met Den Hertog.
Eerste echt radicale nieuwlichter op het gebied van het moedertaalonderwijs. Was vooral taalpedagoog. Gebruikte ideeën uit de taalwetenschap, sloot aan bij de (gesproken) taal van de leerlingen, en vervatte dat alles ook in lesbeschrijvingen.

Twintigste eeuw

J. Mathijs Acket (1862-1933): Artikelenserie ‘Uit mijn praktijk’ (1912-1915 in De nieuwe Taalgids), ofwel ‘Brokjes les, gedachten en ervaringen’.
All round didacticus op basis van eigen lespraktijk.

Belangrijk schoolboek: Stijlstudie en stijloefening (1917).
Expliciteerde praktijkkennis ten behoeve van collega’s: ‘pedagogical content knowledge’ (PCK) heet dat nu.

Jacques van Ginneken (1877-1945): De roman van een kleuter (1917), Als ons moedertaalonderwijs nog ooit gezond wil worden (1917).
Bevlogen taalwetenschapper en denker over moedertaalonderwijs. Originele koppeling van kindertaalontwikkeling en taalvariatie met moedertaalonderwijs. Uitvinder van genetisch (moeder)taalonderwijs.

Jules Moormann (1889-1974): De Moedertaal (1936).
Bij Van Ginneken gepromoveerde taalkundige en creatief docent. Publiceerde een didactische handleiding (vakdidactiek) met veel praktijkkennis en bruikbare ideeën. Eerste (deeltijd) ‘vakdidacticus’ Nederlands aan de Universiteit Leiden. Bekend van het boek De geheimtalen (Bargoens).